9 april 2006

Gerard Reve overleden (1923 – 2006)

Reve is al vanaf het begin van zijn schrijversloopbaan bewonderd en verguisd. Zijn eerste roman De avonden, verschenen vlak na de oorlog, bleek voor velen een stem van zijn generatie te vertolken. Jarenlang stond het boek op de leeslijst van middelbare scholieren. In zijn latere werk en dan voornamelijk zijn brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot U is de stijl van de schrijver het meest in het oog springend. Ironie vermengd met ernst.

Gerard Kornelis van het Reve (Amsterdam 14.12.1923) erfde naar eigen zeggen de verbale begaafdheid van zijn vader (Gerard J.M., communistisch journalist) en het romantische levensgevoel van zijn moeder (Janetta Doornbusch). Gerard bezocht na vier jaar gymnasium (1936-1940) de Grafische School, beide te Amsterdam; na het behalen van het patroonsdiploma (1943) raakte hij verbonden aan Het Parool, waar hij kennis maakte met Simon Carmiggelt; hij bleef er tot 1947. Hij was van 1948-1959 gehuwd met de dichteres Hanny Michaelis. Na uiteenlopende betrekkingen in Nederland en Engeland (waar hij in 1954 en 1955 aan de British Drama League een producerscursus volgde) wijdde hij zich sinds ca 1958 uitsluitend aan de literatuur. Reve trad in 1966 toe tot de rooms-katholieke kerk; werd in 1974 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau; vestigde zich omstreeks 1975 definitief in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde (onder de namen Simon van het Reve, Gerard Kornelis van het Reve, Gerard Reve) romans, verhalen, brieven, gedichten, essays en een enkel toneelstuk; vertaalde veel modern Engels/Amerikaans toneel, o.a. van Edward Albee, Brendan Behan en Harold Pinter; was redacteur van Tirade (1958-1967) en van Dialoog (1965-1966); ontving de P.C. Hooftprijs (1968, uitgereikt in 1969).

In Reve's werk kunnen vier perioden worden onderscheiden. In de eerste (1946-1956) schrijft hij uitsluitend proza dat een realistisch-symbolisch karakter heeft. Na een korte overgangsperiode (1957-1962), waarin hij alle denkbare genres beoefent, begint hij omstreeks 1963 'over zijn gehele zelf' te schrijven, wat resulteert in onmiskenbaar romantisch proza- en dichtwerk. Aanvankelijk wordt dit werk gekenmerkt door een uitbundige en sterk romantisch ironische stijl; aangezien deze stijl voortkomt uit een dualistische visie (de mens handelt als subject, maar kan zichzelf ook relativerend als object bezien) kan worden gesproken van een dualistisch romantische periode (1963-1970). Later versobert de stijl en treden een zeer persoonlijke mystiek en aandacht voor het slechte en afwijkende op de voorgrond, waardoor deze periode (na 1970) disharmonisch romantisch genoemd kan worden.

Ondanks de filosofisch-religieuze en stilistische ontwikkeling die schrijver en werk in deze perioden vertonen, is het oeuvre homogeen en verandert het thema in de loop der jaren niet wezenlijk: door – op literair niveau – het scheppen van artificiële structuren en – op metafysisch niveau – een zeer persoonlijke religiositeit tracht de auteur zich staande te houden in het door hem als rampzalig ervaren menselijk bestaan, vervuld als het is van schuld, dood, ontoereikende liefde, angst en bovenal chaos – met voor ogen een begeerde staat van liefde, verlossing en bovenal orde.

Na vroege jeugdgedichten (Terugkeer, 1940) en journalistiek werk (1945-1946) verscheen (dec. 1946) in Criterium Reve's literaire debuut: De ondergang van de familie Boslowits, waarin hij op sobere en impliciete wijze de tragische lotgevallen van een joodse familie in WO II; het woord 'jood' wordt zelfs niet gebruikt, en niet ten onrechte wordt deze novelle wel gezien als een Elckerlijc-verhaal.

De avonden (1947, Reina Prinsen Geerligsprijs), Reve's romandebuut, veroorzaakte grote ophef. Veel critici betitelden het als een verwerpelijk nihilistisch produkt, maar anderen herkenden het als een debuut van uitzonderlijke betekenis: de naam (Van het) Reve als omstreden auteur was hiermee voorgoed gevestigd. Frits van Egters, 'de held van deze geschiedenis', vult de verveling van zijn bestaan met scherpe zelfanalyse en ontluisterende observatie van zijn omgeving, i.e. zijn ouders. Deze waarnemingen worden op zeer realistische – maar ook humoristische – wijze verwoord. Terdege is hij zich er echter van bewust dat hij niets beter is dan zij, en in het ontroerende slot bidt hij God zich over hen te ontfermen. Nog tamelijk impliciet blijft het verlangen dat de werkelijkheid, waargenomen als een zinloze reeks losse details, in wezen samenhang en zijn vertoont.

Dit werk, lange tijd beschouwd als typisch naoorlogs en tijdgebonden, behelst in wezen het tijdeloze lot van de intellectualistische adolescent in een kleinburgerlijk milieu, en wordt thans gezien als een van de belangrijkste na 1945 verschenen Nederlandse romans.

Werther Nieland (1949), de bij verschijning vrijwel genegeerde maar later als meesterlijk erkende (en vaak geanalyseerde) novelle, belichaamt sterker dan De avonden behalve het realistische ook het symbolistische aspect van deze periode. In dit vrijwel cyclische, zeer geserreerd geschreven verhaal ervaart een elfjarige jongen schuld en chaos, resulterend in angst, en bestrijdt deze vergeefs met o.a. magische middelen. De intuïtieve overtuiging of behoefte dat alles (op geheime wijze) met elkaar samenhangt is hier expliciet aanwezig.

Nadat een voor de novelle Melancholia (Podium, 1951) toegekende regeringsreisbeurs uit zedelijkheidsoverwegingen weer werd ingetrokken schreef Reve enige tijd in het Engels. Resultaat hiervan is de bundel The Acrobat and Other Stories (1956), thans beter bekend in de Nederlandse vertaling van Hanny Michaelis (Vier wintervertellingen, 1963).

In de overgangsperiode begint Reve's homoseksualiteit zich te openbaren en ontwikkelt het symbolisme zich tot een meer omvattende religiositeit, waarvan de eerste vage sporen te vinden zijn in zowel de kwalitatief wisselvallige bundel Tien vrolijke verhalen (1961, Novelleprijs 1963 gemeente Amsterdam) als het toneelstuk Commissaris Fennedy (1962), dat als drama niet is geslaagd, maar belangrijk is als schakel in zijn ontwikkeling naar de volgende fase.

Op weg naar het einde (1963, Romanprijs 1964-1965 gemeente Amsterdam) en Nader tot u (1966), de bundels 'reisbrieven' ofwel 'bekentenisliteratuur', bewijzen dat Reve inderdaad psychische en creatieve barrières heeft doorbroken: hij schrijft ongeremd en vrijmoedig over wie hij is en wat hem beweegt. Gevolgen daarvan zijn o.a. parlementaire discussies en, n.a.v. Nader tot u, een langdurig proces wegens (vermeende) godslastering. In de `Geestelijke Liederen' uit Nader tot u manifesteert Reve zich als belangrijk dichter. Het proza, gekenmerkt door heftige registerwisselingen (van bijbels tot gemeenzaam), en de losse structuur, die plaats biedt aan verrassende uitweidingen en bizarre anekdoten, geven deze brievenbundels een baldadig karakter; in wezen echter getuigen ze op aangrijpende wijze van uitzichtloos lijden. Deze dubbelheid is te danken aan het feit dat dit werk stilistisch geheel, maar in filosofische zin slechts gedeeltelijk romantisch ironisch is. Wel romantisch ironisch is Reve in die zin dat de zelfreflexie en -relativering zijn terug te voeren tot het dualisme van Fichte (vgl. diens 'intellektuelle Anschauung') en (de door hem zeer bewonderde) Schopenhauer, en ook ziet hij, als alle romantische ironici, de kosmos als een mysterieuze chaos, die niet rationeel kan worden doorgrond; essentieel verschil is echter dat Reve die chaos verlangt te doorgronden – door elk gebeuren te zien als een symbool van iets groters (vgl. met name Werther Nieland) – omdat hij (anders dan bijv. Coleridge, Byron, Keats, Carlyle) het bij uitstek romantisch ironische oxymoron 'permanently unstable' niet positief waardeert: chaos is voor Reve in filosofische of artistieke zin nooit bevruchtend maar altijd bedreigend. Cruciale paradox hierin is uiteraard dat juist (voor Reve misschien
zelfs: uitsluitend) bestrijding van chaos noopt tot creativiteit.

Verrassend is het dan niet dat Reve de chaos tracht te bestrijden door middel van een zeer persoonlijke mystiek (waarin versmelting van seks en religie, en verering van Maria, Isis, Kybele en de Meedogenloze Jongen centraal staan), en zich eerder verwant voelt aan romantici als Blake, Poe, Hoffmann en Swinburne dan aan de eerdergenoemde Engelsen: disharmonie – het besef slecht te zijn, en eenling – krijgt steeds meer nadruk. Reeds in het veelgeprezen De taal der liefde (1972) is de romantische ironie minder dominant; in volgende romans – Lieve jongens (1973), Een circusjongen (1975), Oud en eenzaam (1978), Moeder en zoon (1980) – wordt het mystieke element belangrijker, terwijl het taalgebruik, vergeleken met de uitbundigheid van de reisbrieven, allengs soberder maar soms ook overdreven archaïserend of clichématig wordt.

Naast nieuw proza in De vierde man (1981) en Wolf (1983), dat een toenemend gebrek aan inspiratie en diepgang vertoont, publiceerde Reve na 1980 diverse bundels correspondentie, waarvan de beste (met name Brieven aan Josine M. 1959-1975, 1981) zowel literair als documentair van groot belang zijn, en enkele verzamelingen voorheen verspreid of in portefeuille gebleven werk, die het beeld van zijn ontwikkeling vervolledigen.

Reve verklaart graag aartsreactionair te zijn en 'voorstander van Kerk & Staat & Orde & Gezag', terwijl geen Nederlands kunstenaar zo frequent en heftig in conflict kwam met de gevestigde orde als juist hij; ten dele vloeiden deze conflicten voort uit zijn werk, ten dele echter ook uit omstreden persoonlijk optreden in televisieprogramma's, interviews enz. In theorie adopteerde hij Oscar Wilde's adagium 'All art is quite useless', terwijl het in de praktijk overtuigend werd weerlegd: door zijn werk heeft hij niet alleen onmiskenbaar een voortrekkersrol vervuld in de emancipatie van homoseksuelen, maar ook in veel algemenere zin is zijn uitstraling groot. In literair opzicht heeft de zeer herkenbare stijl van zowel zijn vroege werk als van de latere reisbrieven veel navolging gevonden, en vooral in de jaren zestig heeft hij – in een klimaat van wederzijdse beïnvloeding – een liberaliserende en vernieuwende invloed gehad op samenleving, kerk en cultuur, die zeldzaam is in de Nederlandse letterkunde.

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer