31 oktober 2016

Serieuze aangelegenheid

Door Martin Lok

Kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid, of het nu gaat over beeldende kunst of literatuur. Je matigt je een oordeel aan over het bloed, zweet en tranen van een ander, wat mag en goed is. Maar wat je niet lichtzinnig moet doen. Daar mag je dus best een beetje over nadenken. Dat is wat Charles Baudelaire (1821-1867), dichter, essayist en misschien wel bekendste kunstcriticus van zijn tijd, ook deed.

Volgens Baudelaire wordt goede kritiek ‘geboren in de baarmoeder van de kunst’. Een stellingname waaraan ik denken moest toen ik vorige week een masterclass recenseren volgde. Literair criticus Arjen Fortuin vertelde hier over de ‘Tien geboden voor de criticus’, die hij een paar jaar geleden als literair-kritische gimmick heeft opgesteld. Met een knipoog weliswaar, om het al te overmatig serieuze eraf te halen, maar desalniettemin met een ondertoon die net zo serieus is als de kunstkritiek zelf. Dat blijkt al direct uit het eerste gebod: ‘Gij zult onderscheiden wat kunst is en wat niet.’ Alsof je de echo van Baudelaire hoort. En de toon is meteen gezet. Of je nu positief of negatief bent; kritiek moet altijd gaan over iets dat ertoe doet. Dat het waard is besproken te worden. Anders hoeft het niet in de krant of op de website van LiterairNederland gepubliceerd te worden.

In zijn achtste gebod stelt Fortuin dat een literair criticus in de eerste plaats zelf ook goed moet schrijven, omdat anders niemand gelooft dat je kunt lezen. Je moet de lezer bij de kladden grijpen, zoals Baudelaire dat natuurlijk als geen ander kon. Met een duidelijk eigen visie, authentiek en prachtig geformuleerd: ‘De ware schilder is de schilder die het leven van alledag zijn heldhaftige kant weet af te dwingen, die ons met zijn verf of zijn tekenstift leert bevatten hoe groots en poëtisch wij zijn met onze stropdassen en laklaarzen.’ Waarbij dat ‘leven van alledag’ voor Baudelaire overigens cruciaal was. Hij vond dat kunstenaars zich moeten uitdrukken in een (beeld)taal die de tijd waarin ze leven spiegelt. En dat de moderne tijd waarin hij zelf leefde, met al zijn veranderingen en industrialisatie, vroeg om een nieuwe techniek, die de luchtigheid van het moment beter zou vastleggen dan de traditionele kunst deed. Een wens die een aantal jaren later door de impressionisten zou worden ingewilligd.

Deze relatie tussen kunstcriticus Baudelaire en de kunstenaars om hem heen illustreert ook dat goede kritiek niet alleen de lezer beroert, maar ook de maker van het kunstwerk zelf. En het is een perfect voorbeeld dat goede kunstkritiek ook bijdraagt aan de ontwikkeling van de kunst. Omdat een goede kritiek als het ware een betekenis toevoegt aan een boek of schilderij, die de schrijver of schilder er misschien niet heeft ingelegd, maar die wel door de criticus gezien wordt. Wat mag, mits je het goed beargumenteert. Want kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid.

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer