29 augustus 2016

Het effect van de Spelen

Door Adri Altink

Voor de Olympische Spelen in Rio begonnen, had ik het in een van mijn vorige columns over het Refugee Olympic Team (ROT), dat aan de Spelen zou deelnemen. Ik was benieuwd naar de prestaties van het team en de aandacht die het in de media zou krijgen.

Zowel op tv als in de papieren media werd plaats gemaakt voor de deelname van het ROT.  In die berichtgeving kwam de motivering van de atleten ruim aan bod: Ook al heb je de grootst mogelijke ellende meegemaakt, je hebt een toekomst. De prestaties waren daar ondergeschikt aan. Die kregen dan ook nauwelijks aandacht. Achteraf zijn die ook niet mijn belangrijkste punt, maar voor de volledigheid:

De Syrische zwemmers Rami Anis en Yusra Mardini (het  verhaal van Mardini, over de redding van een rubberboot met vluchtelingen op weg naar Lesbos, verscheen in verschillende bladen) strandden in de eerste ronde op hun onderdelen. Dat lot was ook de Zuid-Soedanese lopers James Nyang Chiengjiek, Yich Pur Biel en Paolo Lokoro en hun landgenoten Angelina Lohalith en Rose Lokonyen beschoren. De Ethiopiër Yonas Kinde werd 90ste op de marathon. Bij het judo kwam de Congolese Yolande Mabika niet door de eerste ronde, maar haar landgenoot Popole Misenga bereikte de laatste 16. Ze konden alle tien dus ook geen potje breken, maar daarom waren ze er ook niet. Bereikten ze dan wel hun andere doel: publiciteit voor de aanpak van hun leven na de vlucht? De pers pikte het in elk geval op. Maar kwam het ook aan bij de lezers en luisteraars?

Om daar achter te komen hield ik een klein , volstrekt niet representatief, onderzoekje onder mijn Nederlandse kennissen. De meesten die weet hadden van het ROT , hadden  die kennis  opgedaan omdat ik er zelf over  begonnen was. Een enkeling had erover gelezen of  op tv gezien. Waaróm het team meedeed bleek nog minder bekend. Om een idee te geven: ik heb het over Nederlanders in de leeftijd  van pakweg 40 tot 70 jaar die geïnteresseerd zijn in de actualiteit van de dag. Belangrijker is natuurlijk de vraag of de deelnemers  er zelf  moed uit hebben geput .

Net zo min representatief, waren de antwoorden op mijn vraag onder statushouders (vluchtelingen met verblijfsvergunning) in mijn kennissenkring. Ik vroeg het aan zo’n vijftien personen, bijna allemaal tussen de 20 en 40 jaar. Onder hen Syriërs, Eritreeërs, Palestijnen en Afghanen. De meesten hadden er van gehoord, maar hadden er niet veel aandacht aan besteed. Met  uitzondering voor alle Syriërs (vier) en één Palestijn. Ze kenden de prestaties van Anis en Mardini en waren er bijzonder trots op.

‘En de andere Olympiërs uit het team?’, vroeg ik. Ze wisten dat er meer vluchtelingen hadden meegedaan, maar die riepen niet de glimmende ogen op die Anis en Mardini bewerkstelligd hadden. Ik begreep meteen dat ik de klassieke fout had gemaakt om alle vluchtelingen op één hoop te vegen. Dé vluchteling bestaat gewoonweg niet. Om enthousiast achter een sporter te staan en trots op hem te zijn, moet je je met hem verbonden voelen. De Syrische vluchteling is dat met de Syrische sporter, zoals de Nederlander dat is met de Nederlandse.

Door vluchtelingen als één groep te beschouwen dichten we die groep een homogeniteit toe die er niet is. Natuurlijk, het zijn lotgenoten, maar óók individuen met eigen wortels. Door alle vluchtelingen als categorie aan te spreken, ontnemen we ieder van hen de nationale identiteit waarvan ze het laatste restje willen behouden nu ze van hun grondgebied zijn verstoten. Het schoot me plotseling weer te binnen dat een Iraniër me daar een jaar geleden in een gesprek  ook al eens op wees: “Waarom zeg jij ‘jullie’’ tegen mij als je het over asielzoekers hebt?” Hij en ik konden er toen gelukkig om lachen.

Aan het begin van deze column vroeg ik mij af, of het doel van het ROT bereikt is. Wat denkt u?

 

 

Recent

22 september 2017

Modiano's spel met de lezer

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer