8 augustus 2005

Onhandig bloesemend – Ramsey Nasr

Recensie

In 2000 denderde Ramsey Nasr de poëzie binnen met de bundel 27 gedichten & geen lied waarvoor hij meteen nominaties binnenhaalde voor de C. Buddingh’-prijs en H.C. Pernathprijs. De monoloog in verzen Geen lied werd bekroond met de Taalunie Toneelschrijfprijs. Zijn geloofsbrieven heeft hij intussen dus wel afgegeven.
Intussen is er een nieuwe bundel poëzie van hem uit: Onhandig bloesemend.

In de middelste van de drie afdelingen die deze bundel telt, ‘Dichter liefde’, formuleert Nasr nog eens waarvoor hij staat in het gedicht ‘Credo’.
In de eerste drie strofen tekent Nasr de dichter die op zijn sympathie kan rekenen, met wie hij zich wellicht ook verwant voelt. Het is een wat naïeve dichter, die met al zijn inzet toch steeds weer tegen een muur loopt. Dat brengt hem echter niet tot bezinning. Hij volhardt onnozel in het gebruiken van clichérijmen (hart/zwart) of in het pogen dingen met elkaar te laten rijmen die samen een ongerijmdheid vormen, zoals de bittere dood met de zoete anijs. Nasr doet niet anders. Hij weet dat hij soms platgetreden paden bewandelt; sommige formuleringen van Nasr schurken tegen de kitsch aan. Hij schrijft gerust ‘fulpen bloembladen’, ‘karmijn’, ‘pareltranendroppen’,  ‘o volroze dageraad’, ‘weemoediglijk’, ‘smertendrang’ ? woorden die alleen Jean Pierre Rawie nog zou gebruiken. Maar de dichter weet wat hij doet. Hij weet dat het ‘bananenrijm’ is en dat hij erover kan uitglijden, maar dat deert hem niet. Het gebruik van clichés is bij hem geen onmacht, maar hij kijkt tot waar hij het cliché kan oprekken, of hij kan laten zien dat het eigenlijk een toverkei is. Ook het bij elkaar brengen van zaken die gewoonlijk niets met elkaar te maken hebben, gebeurt in Onhandig bloesemend. Groepsverkrachting en poëzie, bijvoorbeeld, of liefde en verrotting. De dichter weet dat hij dan soms misgrijpt (volgens mij is groepsverkrachting nooit poëzie) maar vaak ook niet.

Kenmerkend voor Nasrs poëzie is de totale inzet waarmee hij dicht, de grote gebaren die hij maakt. Dat kan niet altijd goed gaan, maar met zijn gedrevenheid komt hij de lezer dicht op de huid, grijpt hij hem bij de strot. Ik kan me ook wel voorstellen dat in ‘Credo’ deze poëzie verkozen wordt boven ‘hollands koning schraalhans’, poëzie waarin de handrem op het gevoel getrokken is, waar de stem niet voluit durft te brullen. Technisch goede poëzie misschien, maar tegelijk veilige poëzie, waarin de dichter zich niet uitlevert aan de lezer. Of boven de zelfingenomen poëzie, waarbij de dichter alles wat hij afscheidt als iets waardevols ziet. Eigenlijk is ook dat veilige poëzie: de dichter is zo zeker van zichzelf, dat hij niet meer geraakt kan worden door reacties van anderen. Nasr kiest voor iets anders. Hij kiest er niet alleen voor, hij gelooft erin, het is een credo, een levensovertuiging, hij staat ervoor. Met volle overtuiging en tegelijk in al zijn kwetsbaarheid. Uiteindelijk komt het neer op ‘baarlijke liefde’, onverholen liefde, zich ongeremd geven. Laat het maar schuim zijn, laat het maar ijdelheid zijn, laat het maar op de nacht uitlopen, de dichter koestert het. Niet voor niets is dit gedicht opgenomen in de cyclus ‘Dichter liefde’, een serie gedichten die eigenlijk een liefdegeschiedenis is, soms verteld in de ik-vorm, soms is de hoofdpersoon Frederik Wonderlik. De cyclus begint met een overrompelende verliefdheid (‘dat was in de wonderbaarlijke maand/van bloesemingen en overvloed/toen mijn borstkas opstoof als papaver’) en het eindigt, zoals alles in dit leven eindigt (‘Frederik wonderlik was feilloos/op slag een sterveling geworden’). Toch staat vlak voor het einde van de cyclus dit ‘Credo’, waarin niet alleen het geloof in een bepaald soort poëzie, maar ook het geloof in de liefde beleden wordt, ook als een relatie eindig is, ook als het leven eindig is.

De derde afdeling van Onhandig bloesemend heeft de titel ‘Wintersonate (zonder piano en altviool)’ Het is een In memoriam voor Dmitri Sjostakovitsj, gebaseerd op diens altvioolsonate op. 147 en heeft dan ook de onderdelen ‘moderato’, ‘allegretto’ en ‘adagio’. Zoals ik uit de gedichten opmaak, werd Sjostakovitsj geteisterd door ‘kanker en infarcten van het hart’: (…) iemand moet het me toch zeggen iemand stompt mijn toverballen uit een voor een niet geel niet rood oranje roze bloesemend zwart ben je van binnen en het zaait zich uit vader het ziet er niet goed uit en er is geen dokter knap genoeg voor jou om jou te maken (…) Daarnaast had Sjostakovitsj in zijn leven te kampen met het Sovjetregime. Verschillende keren viel hij bij de machthebbers in ongenade. Chaos in plaats van muziek maakte hij, verweten ze hem. Maar hij werd ook weer in genade aangenomen als hij in zijn symfonieën de recente geschiedenis van zijn land toonzette. Waarschijnlijk is over geen enkele componist zo gepolemiseerd als over Sjostakovitsj. Sommigen zijn ervan overtuigd dat hij een dissident was, die voor lijfsbehoud soms compromissen moest sluiten, anderen zien hem als een componist die aan de leiband van een kwalijk regime liep. Zij wijzen dan op de Stalinprijs waarmee Sjostakovitsj onderscheiden is. Ook Nasr mengt zich in deze discussie. Hij laat zien hoe lastig het was om componist te zijn in die tijd, in dat land. Sommige instrumenten (de trombone bijvoorbeeld) waren verdacht. De Sjostakovitsj zoals Nasr hem tekent, verheelt de gruwelen van het regime niet: ‘(…) en dima gatsjev is vergeten het ongeluk wilde dat gatsjev frans kende gatsjev kreeg vijf jaar hij was een sterke man een paar dagen voor het einde kreeg gatsjev te horen dat hij tien jaar erbij kreeg dat brak hem (…)’

In zo’n fragment gebruikt Nasr een kale stijl, alsof hij een reportage maakt. De feiten spreken voor zich en daar hoeft de dichter niet tussen te gaan zitten. Het laat wel de veelzijdigheid van de dichter zien: hij varieert van bijna genante uitbundigheid tot uiterste ingetogenheid; een stem met een groot bereik. Nasrs Sjostakovitsj ironiseert de manier waarop machthebbers hun waardering lieten blijken. Zo schetst hij een tuin (‘de dappere tuin van volkskunstenaren (…) goedgekeurd én ontworpen door de opperste leider der proletaren’) waarin de meest glorieuze bloemen staan te bloeien, waarbij natuurlijk niet toevallig het woord ‘bloemenrijk’ wordt gebruikt. Naast de hortensia, de tulp en de fuchsia zijn daar bijvoorbeeld te vinden: (…) kameraad gras! * lid van de commissie voor sierbloemen, bossen & peulvruchten en dan ja dán! kameraad aardappel! * held van de socialistische arbeid * voorzitter van de knollenbond van de RSFSR * afgevaardigde van de opperste sovjet van de USSR voor het district gorki * großer stern der völkerfreundschaft in goud van de DDR * stalinprijs 1e klasse (…) De cyclus eindigt met de dood van de componist, gedeeltelijk cursief afgedrukt.

Schaamteloos lyrisch, maar als lezer heb je het idee dat het ook niet anders kan en mag. De dichter is in de cyclus steeds naast de componist gaan staan. Hij verdedigt niet alleen de positie die Sjostakovitsj in de Sovjet-Unie ingenomen heeft en de keuzen die hij gemaakt heeft, maar hij laat hem ook vooral als mens zien. Aan het eind van de cyclus laat hij ons de mens zien in zijn uiterste momenten, een mens die bang is en vastgehouden wil worden, maar die zich nergens over hoeft te schamen. En natuurlijk is het slotakkoord voor de muziek. Pas bij de dood van de componist is ook de muziek klaar. (…) waar waren toen de doktoren waar was iedereen toen het als hart waar was u toen het eindelijk toen het als een open hart toen deze moerasbloem deze nachtschone de dagschone toen het als een vuurdoorn eindelijk voor u toen het als een bloem toen ik als een bloem als roomse kamille tussen uw armen wilde pak me vast mijn honingboom mijn schildvaren mijn vrouwentranen pakt u mij vast ik was als bitterblad geworden belladonna zonnedauw en éénbes was ik als een pekanjelier slangebaard was ik maar anders nu nu dwergamandel nu nu als een koortsboompje lig ik pronkend op u te wachten als glansmispel met vlambloemen en bellenplanten pakt u mij vast mijn witte onschuld eeuwigblad nu ik als een steenraket openbarst omhoogschiet als de trompetlelie en als reigersbek langs de jacobsladder omhoog nu ik wijdvertakt nu nu de duizendknoop nu de sneeuwbalstruik valkruid nu nu de dood open en wijd beangstigend wijd voel ik geen schaamte wacht op u is het zonder schaamte en de muziek is helder helder en klaar

Pelgrim

Onhandig bloesemend
Ramsey Nasr
80 blz.
Prijs: € 15,-
De Bezige Bij, Amsterdam 2004.

Onhandig bloesemend
Ramsey Nasr
ISBN: 9789023414292

Meer van :

23 november 2017

Weidse landschappen, bekraste zielen

Over 'Idaho' van Emily Ruskovich
21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

Over 'en toen aten we zeehond' van Nicoline Timmer
20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard

Recent

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman

Verwant