16 augustus 2004

Hokwerda's kind

Door Dehairs, lid sinds 5 augustus 2004

Oek de Jongs HOKWERDA’S KIND ; een vuistdikke terugkeer naar het naturalisme. “Die avond wierp Hokwerda keer op keer zijn dochtertje over de rietkraag in de Ee.” Met deze zin opent Oek de Jong zijn nieuwste roman Hokwerda’s kind. In deze zin schuilt meteen ook de essentie van het verdere verhaal, dat hoofdstuk na hoofdstuk een variatie is op eenzelfde thema: liefde is een vergeefse poging tot verzoening van twee radicaal verschillende lichamen. Meer nog, de liefde in Hokwerda’s kind draait niet rond verenigen, maar rond verstoten. Niet in het minst van een dochter door haar vader. Lin Hokwerda, het kind uit de titel, is een knappe, jonge vrouw van 24, op zoek naar liefde. En misschien meer nog dan liefde, hunkert ze naar geborgenheid, bescherming, veiligheid. Omdat haar moeder haar en haar oudere zus al op jonge leeftijd van hun vader heeft weggenomen, heeft Lin de liefde en bescherming van een vader nooit echt gekend. In Amsterdam, waar haar moeder haar twee dochtertjes na haar vlucht van het Friese platteland heeft gebracht, hoopt Lin die liefde te vinden in drie opeenvolgende relaties: eerst met de drugsverslaafde Marcus, dan met de vele jaren oudere lasser Henri en tenslotte met de evenwichtige en zachtmoedige advocaat Jelmer. Drie keer vergist ze zich. Ontrouw en overspel, zowel van haar minnaars als van haarzelf, beheersen haar relaties en dwingen haar uiteindelijk onvermijdelijk in de richting van een, zoals het laatste hoofdstuk aankondigt, buitenste duisternis. Met zijn vuistdikke roman heeft Oek de Jong, na een literaire stilte van acht jaar, zich bewust ingeschreven in de traditie van de negentiende-eeuwse realistische en naturalistische roman. Vooral de naturalistische drie-eenheid van determinatie door race (erfelijke eigenschappen), milieu (de omgeving waarin iemand opgroeit) en moment (de concrete tijdsomstandigheden waarin iemand opgroeit) hangt voortdurend als een zwaard van Damocles boven het hoofd van het hoofdpersonage. Omdat Lin nooit de liefde van een vader heeft gekend, zoekt ze die liefde in haar partners. De man die het beste in deze rol past, is Henri: “Nu lag ze als een kind tussen zijn benen. […] Hij herinnerde zich hoe hij op haar arm in slaap was gevallen, die avond van de oesters, en de rust die hij toen had gevoeld. Eenzelfde rust daalde nu op hem neer, terwijl ze tussen zijn benen lag, haar haren warm op zijn buik. Ze was zijn kind.” Henri blijkt echter onbetrouwbaar te zijn en Lin verlaat hem. Net als voor haar vader, die ze verwijt nooit meer contact met haar gezocht te hebben, koestert ze voor Henri zowel liefde als haat- en angstgevoelens. In de eerste bedscène tussen Lin en Henri komen deze tegenstrijdige gevoelens het best tot uiting. Lin wil geen seks, Henri wel en hij verkracht haar. Desondanks keert Lin terug naar hem en relativeert ze wat gebeurd is. Aantrekken en afstoten. Dat is het patroon dat zich telkens weer herhaalt in deze roman. In de beschrijvingen van de veelvuldig voorkomende bedscènes toont de Jong zich overigens een meester. Maar seks in Hokwerda’s kind is nooit vrijblijvend. In een interview met De Volkskrant (18.10.2002) verklaart de auteur dat hij seks beschouwt “als een van de grote mogelijkheden van romanschrijvers van nu om te kunnen doordringen in wat er echt tussen mensen gebeurt.” En wat er echt tussen mensen gebeurt, is dat ze met elkaar slapen, elkaar bedriegen. De liefde bij de Jong is dan ook meestal pure lust. En net als bij die andere grote ‘lustschrijver’, Sigmund Freud, flirt deze lust voortdurend met datgene wat zich Jenseits des Lustprinzips bevindt, de onlust en de dood. Net als elke ‘grote’ roman gaat dus ook Hokwerda’s kind over het leven, de liefde en de dood. Aan de hand van een ijzersterke structuur en spanningsopbouw toont de Jong hoe het ene steeds weer onvermijdelijk naar het andere leidt. Alles hangt samen in deze uiterst strakke literaire compositie, waarin de auteur zijn personages ongenadig op het hakblok van de psychoanalyse legt, zonder ooit te theoretisch of uitleggerig te worden. Als ik dan toch een negatievere opmerking zou moeten maken, betrof het de stijl. Af en toe laat de Jong zich, naar mijn mening, verleiden tot een ietwat droge, zakelijke taal. Beschrijvingen zijn analytisch en soms koel. Poëtisch proza, zoals ik het enorm weet te appreciëren in, bijvoorbeeld, de romans van Hugo Claus of, om een iets mindere godheid te noemen, Stefan Hertmans, moet je bij de Jong niet zoeken. Toch kan je hem zijn taal niet echt kwalijk nemen. Net zoals de taal van de Franse grootmeester van het naturalisme, Emile Zola, zo klaar en duidelijk mogelijk was, om zo de impact van zijn literatuur op de maatschappij te verhogen, is de literatuur van de Jong bedoeld om zijn publiek ‘een geweten schoppen’. De Jongs slot ontreddert, schokt en verdwaast. Volgens Sartre is de prozaliteratuur een revolver en elk woord een schot. Met Hokwerda’s kind heeft Oek de Jong de Nederlandse literatuur op een salvo getrakteerd.

Meer van :

20 oktober 2017

Soepel een licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken
13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Over 'Het intieme vreemde' van Jente Jong
12 oktober 2017

Een antikrimi

Over 'De rechter en zijn beul' van Friedrich Dürrenmatt
11 oktober 2017

De stijl tekent de man

Over 'Mijn grote appartement' van Christian Oster
10 oktober 2017

Eindeloos gepieker

Over 'Parttime astronaut' van Renée van Marissing

Verwant