24 november 2003

Albert Vogel, voordrachtskunstenaar (1874-1933) + CD – Caroline de Westenholz

Veel gespeeld maar weinig gevoeld

Door Roef Ragas

Voordrachtskunst, dat riekt naar fijnzinnig gezegde muffe verzen, of oude mensen luisterend naar een balkende en loeiende orator op het gammele podium van het dorpshuis dat is ingericht voor culturele evenementen. Rederijkerij. Begin vorige eeuw werd voordrachtskunst ook al met een scheef oog bekeken. Wat was dit voor eigenaardig bastaardgenre en was het eigenlijk wel kunst? En als je het dan al deed: was het dan de bedoeling dat je wel of niet gesticuleerde, waren kostuum, grime en decor nu wel of niet gewenst?

Albert Vogel wordt geboren in een familie waarvan de mannen generatie na generatie in het leger loopbaan maken. Ook de jonge Albert begint in het leger, maar zeer vroeg ontluikt in hem de wens te spreken in het openbaar. Alhoewel hij later wel enkele malen toneel zal spelen, lijkt dit nooit zijn grote ambitie te zijn geweest.
Door onvermoeibare en gedisciplineerde studie maakt hij zich het ambacht eigen. Hij verdiept zich in Jelgerhuis’ Theoretische lessen over de gesticulatie en mimiek (1830), en leert Sophocles’ Oedipus uit het hoofd. Alhoewel er flink gesnoeid werd in de tekst, bleef er nog genoeg over om 2 uur onafgebroken aan het woord te zijn. Vogel zelf noemde zich dramatisch romanticus (maar dan de zuivere romantiek, zonder pathos), maar gezien zijn methodes, gebaseerd op klassieke tractaten, moet hij eerder classicistisch genoemd worden.

Vanaf 1899, hij is dan vijfentwintig, geeft Vogel voordrachten bij de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. De kritiek die hij daarop krijgt zal zich de rest van zijn leven herhalen. Afgezien van de loftuitingen voor de stem van Vogel, vindt men dat er wel emotie wordt gespeeld (met grootse gebaren grijpen naar hoofd, keel of borst zoals Sarah Bernhardt), maar weinig gevoeld. Verder heeft Vogel de neiging zich teveel te laten gaan, met name in sterfscènes. Waarschijnlijk bootst Vogel zijn grote voorbeeld Louis Bouwmeester teveel na. Ook is er, zoals gezegd, kritiek op het genre: een hele tragedie verbeelden is dan wel virtuoos, maar nog geen kunst. Ook de vrouwenstemmen klinken wat eigenaardig uit de mond van de man met de Caesar-kaak. Tenslotte: aangezien er geen tegenspelers zijn, moet Vogel soms ook toneelaanwijzingen uitspreken. Zo moet hij, nèt nadat hij Oedipus wanhoopsscène heeft vertolkt, ineens met de stem van de inleider zeggen ‘Oedipus ijlt zijn paleis binnen.’

In de ruim 34 jaar dat Vogel op de planken staat, treedt hij overal ter wereld op. Van Nederland gaat het naar Indië en Japan (in 1911 verschijnt zijn boek over Japans toneel, waar hij zeer van onder de indruk was), hij toert in Duitsland, neemt lessen bij Max Reinhardt en de Weense professor Alexander Strakosch, komt meerdere malen aan het hof van Koningin Elisavetha van Roemenië, en zit zelfs aan tafel bij de Amerikaanse president Wilson. Afgezien van zijn kwaliteiten ligt dit ook aan Vogels uitgekiende PR: hij vervaardigde zelf brochures met pakkende citaten uit recensies, en vroeg her en der om aanbevelingsbrieven. Zijn imposante verschijning en doortastende optreden doen de rest.

Als Vogel in 1906 voor de kunst kiest, gesteund door zijn moeder, springt hij gelijk in het diepe. Hij gaat acteren, naast Théo Mann-Bouwmeester in, hoe kan het anders, Oedipus. Het is typerend voor Vogels bravoure dat hij niet met een klein rolletje begint, maar gelijk de hoofdrol aanneemt. Het werd matig ontvangen, en afgezien van drie voorstellingen met zijn eigen gezelschap Het Klassieke Toneel (1920-1922), zou hij niet meer acteren.

Het voordrachtsrepertoire van Vogel evolueerde wel, maar veel favorieten bleven lang op het programma staan. Naast Oedipus droeg Vogel Coriolanus voor, Loki van Emants dat net als De Maecenas (Johan de Meester) en Seideravond (Carry van Bruggen) voor hem geschreven werd, maar ook Poe’s The Raven en later in zijn leven Vondels Lucifer. Hij heeft nog geprobeerd dit voor de Paus te spelen, maar dit is voor zover bekend niet gelukt.
Als de eerste wereldoorlog uitbreekt moet hij weer onder de wapenen. In deze tijd scheidt hij van zijn eerste vrouw, Anna de Lorm, nadat hij Ellen Buwalda tegen het lijf is gelopen. Vader Buwalda verbiedt zijn dochter onder haar naam op het podium te staan, dus kiest zij de artiestennaam Ellen Vareno (i.e. ‘vogel’ in het Roemeens, wat vreemd genoeg niet door Westenholz gemeld wordt).

Langzamerhand wordt voor Vogel onderwijs in de voordrachtskunst belangrijker. Hij richt de Maatschappij tot bevordering van de woordkunst (1926) op, en schrijft zijn magnum opus Rhetorica. Aan het eind van zijn leven is hij nog een aantal jaren voorzitter van de Haagsche Kunstkring, totdat conflicten met jongere, progressievere leden hem nopen afstand te nemen. In het boek staat een foto van een feestavond in de Kunstkring afgebeeld: de dan 56-jarige Vogel in travestie en zwaar opgemaakt, heft het glas. Twee jaar later overlijdt hij aan een hartaanval.
Drie jaar na de dood van Albert Vogel wordt een mozaïekfonteintje, ontworpen door Antoon Molkenboer, onthuld als gedenkteken. ‘Het is,’ verzucht de Westenholz, ‘hevig aan restauratie toe’ deze ‘enige tastbare herinnering in Den Haag aan het levenswerk van een uitzonderlijk kunstenaar.’
Vogel was zeker een uitzonderlijk man. Hij blaast hoog van de toren, treedt graag op voor hooggeplaatste personen, leeft zich soms iets teveel uit in sterfscènes, en lijkt weinig aan eigen kunnen en doel te twijfelen. Door deze persoonlijkheid geeft hij ook menigmaal aanleiding tot karikaturen. Hij verzamelde deze echter zelf, dus het ontbrak het hem niet aan zelfspot. Na het lezen van de biografie vraag ik mij echter af of hij kunstenaar of een bijzonder getalenteerd retoricus genoemd moet worden, wat mij iets anders lijkt.

Het boek is, alhoewel wat stijf, goed geschreven en geeft een helder overzicht van Vogels loopbaan en het toneellandschap in de eerste decennia van de vorige eeuw. Zijn persoonlijk leven komt er wel bekaaid vanaf, en het had allemaal wel wat sappiger gemogen. (Hoe zit het nu eigenlijk precies met Koningin Elisabeth uit Roemenië? Vogel draagt zijn eerste boek aan haar op, zijn tweede vrouw krijgt een Roemeense bijnaam, en het huis waar Vogel aan het eind van zijn leven in woont heet “Elisavetha”.) Uit een van de voetnoten blijkt dat de schrijfster al als zesjarig kind bij de familie Vogel-Buwalda over de vloer kwam. Misschien verklaart dit het gebrek aan distantie en ruimte om wat vrijmoediger te spreken.
Maandag 13 november jongstleden werd het boek ten doop gehouden, en het eerste exemplaar werd overhandigd aan actrice Ellen Vogel, dochter van de voordrachtskunstenaar. Dat doet je beseffen hoe kort geleden dit allemaal gespeeld heeft, en dat het nu al allemaal verzonken is.

Albert Vogel, voordrachtskunstenaar (1874-1933) + CD
Caroline de Westenholz
voordrachtskunstenaar (1874-1933)
Verschenen bij: Amsterdam University Press
ISBN: 9789053566213
384 pagina's
Prijs: € 0,00

Meer van :

20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard
17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef

Recent

14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman
8 november 2017

Biografie Herman de Coninck gedicteerd door De Coninck zelf

Over 'Toen met een lijst van nu errond' van Thomas Eyskens
7 november 2017

De dreiging van het duister

Over 'Wol' van Aart Taminiau

Verwant