Servetten halfstok, Ester Naomi Perquin

Eerder dit jaar werd voor het eerst de Debuutprijs Het Liegend Konijn ? van het gelijknamige poëzietijdschrift ? uitgereikt. De jury, bestaande uit hoofdredacteur Jozef Deleu en de dichters Marjoleine de Vos, Geert Buelens, Mustafa Stitou en Menno Wigman, kende de prijs toe aan de Nederlandse Ester Naomi Perquin voor haar ‘overweldigend debuut’, Servetten halfstok. Op 9 oktober volgt de uitreiking in Vlaams-Nederlands Huis deBuren in Brussel. Zowel verstechnisch als inhoudelijk sprak Perquins poëzie aan: ‘Het hele leven krijgt hier een plaats: onzwaarwichtig, geestig maar beslist niet oppervlakkig. […] Ze stelt vragen en reflecteert. Haar verzen doen de lezer stilstaan en denken.’ Veel lof voor vooralsnog onbewezen diensten.

‘Vooralsnog’, het staat er. Ester Naomi Perquin is niet van plan zich het vergeetgat in te dichten. Meer nog, daar hoort ze niet thuis. Al is Servetten halfstok misschien niet meteen gediend van bovenstaande jubeltaal. Het debuut dat de jury overweldigde kan heus wel wat overuurtjes gebruiken. Het is een behoorlijk werkstuk, op sommige momenten zelfs meer dan, maar te veel nog heeft Perquin een verzameling schetsen en vingeroefeningen aangelegd. Wat is verstechniek als de inhoud niet mee wil?

Het leven is aan de onwetenden
Servetten halfstok opent veelbelovend. De afdeling ‘Verloren schrift’ is veruit de meest fascinerende uit de hele bundel. In gedichten die ? terecht ? worden geprezen om hun knappe stijl, dubbele bodems en technisch vernuft, trekt Perquin de contouren van een leven dat zich tegelijkertijd met beide benen in én achter het dagdagelijkse ophoudt. Een vreemdsoortige melancholie dwaalt door de verzen. Vrijwel meteen merkt de lezer sporen op van iets wat is geweest of nog moet komen, maar dat in ieder geval een onvoltooidheid in zich meedraagt. Dat maakt van ‘Verloren schrift’ meer dan een collectie waarnemingen. Perquin legt hier processen bloot die immer latent aanwezig zijn, en die de goede observator wel weet liggen, maar niet noodzakelijk kan duiden. Als een bijzonder type notulist gaat ze aan de slag: ‘Zo is iets neergezet dat hoorbaar was maar / nooit kan worden naverteld. Hij kent / de beste tekens voor hun radio’s / hun thuiskomst en hun stemgeweld. // Hij stelt op schrift zijn horen bij, / noteert de koppigste muziek / van hun espressoapparaten.’ (uit: ‘De notulist’)

Ook de identiteit van de dichter (of de personages) zelf lijdt aan een onzeker bestaan. ‘Hoe weten zij hoe ik mij was?’ klinkt het in ‘Reïncarnatie’, terwijl het hele gedicht door de ik-figuur die eigenheid ook niet krijgt gedefinieerd. Markeren is de boodschap, je stempel achterlaten. Dat kan schijnbaar heel eenvoudig: ‘Slaap met het harigste huisdier in bed, / druk vingers op ramen, hang op het balkon / je opvallendste plunje voor buren te kijk. / Stink. Bak koolraap met uien en vis.’ (uit: ‘Inval’) Toch resoneert in die methodiek het besef van vergankelijkheid sterker dan de vreugde om het gewonnen terrein. De sluiers die over de dagdagelijkse werkelijkheid liggen verbergen eveneens een ? weliswaar niet dreunend aanwezige ? alledaagsheid. Wat schiet een mens ermee op om tot dat besef te komen? Ook Perquin ziet die beperking: ‘Eenmaal boven is de druk zo laag / dat elk besef ? hoe log, hoe zwaar, / hoe traag ? van zwaartekracht verdwijnt. / Wat niet weet, wat niet valt.’

De wereld als schriftuur
Wel vaker in Servetten halfstok leidt de wetenschap of de plotse bewustwording tot een verzwaring van het gemoed. In ‘Toen wel’ bijvoorbeeld, maakt de kleine confrontatie het grote besef: ‘Pas toen hij een jongen eieren / kapot zag gooien ? zomaar, / met naakte kuikens erin.’ Onwetendheid maakt vrij, of bestendigt die vrijheid; het besef creëert een gebondenheid aan het eigen leven, een bijna angstige reflex van veralgemening die ook het eigene met zwaartekracht overlaadt. Een gevolg kan zijn dat de zwaarmoedigheid gaat regeren en alle impulsen tot geestelijke lichtheid overstemt: ‘Laat het na deze winter nog eens winter zijn. / Geen statig broeden meer. Geen kievitsei. / Geen welbedreven paring of zorgvuldig nest. / Ik hoop dat de kou de grond voorgoed verpest / met alles dat nog kiemen zou daarbij.’ (uit: ‘Winter’). De zachtheid is ongeloofwaardig geworden.

Literatuur ? of liever het schrift ? heeft een functie als bewaarmiddel. Ze legt het latente bloot, behoudt de trekken van het beschrevene. Maar het geschrevene kan ook een indringender rol spelen, ‘Verloren schrift’:

Waar hij eerder nog kon jagen
en wij lazen: bos vol beesten,
hoge lijven, volheid op papier
veelpotig, niet te tillen door getal
of de zwaarte van geweien

trillen nu schraal beschreven vellen,
toont hij angstig wat hij heeft geschoten
wat te zien is in zijn reservaten:
waterplaatsen, droog gelaten,
oude herten zonder poten.

Soms laten ze zich, lijkt het,
even lokken met betekenis:
aanzetten tot jonge dieren
nog in nesten, schetsen
waar niet van te eten is.

Het is de wereld die gelezen wordt, soms geheel verdraaid. Ook hier treedt een verschuiving van de interpretatie op, na een bewustwording, bij het opgroeien… De lectuur van de werkelijkheid is onderhevig aan het opschuiven van de blik. In die zin hanteert Perquin literatuur/taal als gewoon en alledaags fenomeen: ‘Maar onverstoorbaar is er brood / en al hetgeen er dient geschreven, / de tafel met het kind daaraan, / schone was, dagelijks leven.’ (uit: ‘Ten ruste’) De verbeelding ontrukt de literatuur aan de wereld, met alle gevolgen van dien: ‘Dat ik je moet verlaten / om verhalen van te maken.’ (uit: ‘Verhalen’) De verdraaiing die dan gebeurt, is een uitvergroting van wat de mens tegen het vergeten aanmaakt. Overblijvende beelden stemmen niet meer overeen met wat verloren is gegaan. ‘[H]etgeen er dient geschreven’ is wat nog in de herinnering moet voortleven. En ook daar is sprake van dubbelspel: het geheugen onthoudt niet altijd datgene wat we willen zien overleven. Soms zijn we ‘slecht in […] vergeten’ (uit: ‘Weerzien’), terwijl ‘mouwen om de hals geslagen, / in slaap geraakt, eenmaal ontwaakt / nooit armen zijn’ (uit: ‘Ten ruste’).

Stijl, die diepte
In Servetten halfstok gaat Ester Naomi Perquin op een overtuigende wijze aan de slag met taal. De stijl die ze in de eerste afdeling hanteert, blijft ook in de rest van de bundel behouden, maar de inhoudelijke diepgang gaat af en toe geheel verloren. Dat schept de indruk dat er een hoopje losse gedichten bij elkaar is gezet, gedichten die weliswaar elkaars aanwezigheid verdragen, maar de onderlinge betrokkenheid zijn kwijtgespeeld, geen meerwaarde meer bieden. Er is gebundeld wat ook ongebonden had kunnen bestaan. Zo lijkt de urgentie zoek. De schetsen die in het eerste luik nog zinvol veelgelaagd en onverwacht uit de hoek kwamen, zijn nu enigszins vervallen tot observaties en daaraan gekoppelde vingeroefeningen. Goed geschreven maar zonder overkoepelende zin. Een test in het schrijven van poëzie. Jammer, want op die manier krijgt de bundel in zijn geheel een wat onaangename nasmaak. Niet het beste wat een debuut kan zijn of al is geweest in andermans handen, maar op zijn minst beloftevol te noemen.

Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok. Uitgeverij G.A.van Oorschot, Amsterdam, 2007.

Recent

17 juni 2019

Schuldig kinderspel

Literair Nederland - 10 jaar geleden

02 juli 2009

Op naar de anarchistische vrijstaat

Het derde deel van het Verzameld Werk van Louis Paul Boon ? dat 24 delen zal tellen ? handelt geheel over de roman Vergeten straat die kort na de oorlog werd gepubliceerd. Behalve het verhaal zelf bevat het ook een uitgebreid nawoord, een tekstverantwoording, een bibliografie en noten.

Het is interessant om in het nawoord, dat uit het L.P.Boon-documentatiecentrum komt, te lezen hoe dit boek tot stand gekomen is. De optimistische thematiek moest eigenlijk neergezet worden in een tweede deel van Abel Gholaerts, maar onder invloed van vrienden uit het verzet koos Boon voor een aparte roman.

Lees meer