25 juni 2007

Innisfree, Christine Dhaen

De geschiedenis van het dichten, de toekomst van het lezen

Innisfree is een spaarzame bundel: 21 gedichten heeft Christine D’haen erin verzameld, gelinkt aan een notenapparaat van een goede vier pagina’s. Die noten zijn er niet voor niets; de bundel beslaat een liefdevol persoonlijke literatuurgeschiedenis, die een zeer gedegen kennis en doorwrochte visie onthult. Niets voor de show, alles voor de letteren.

Dat er inderdaad meer aan de hand is dan het tentoonstellen van de literaire knobbel van de dichter valt af te leiden uit de cycli die zijn opgenomen. ‘Out of key’ gaat zo bijvoorbeeld over literaire genres die niet meer vanzelfsprekend tot de tijdgeest behoren; ‘Aleph Beth’ reikt dan weer een aantal geliefde boeken aan. Steeds slaagt D’haen erin de diverse invloeden te verwerken in een hoogstaande eigen poëzie. Dat is geen risicoloze onderneming. De dichter geeft in de eerste plaats zichzelf bloot: de uitgesproken invloeden verraden haar voorkeuren en maken ook de poëtica van het eigen poëziebedrijf duidelijk. Dat de inmiddels vierentachtigjarige Christine D’haen zich zo openlijk aan de lezer voorlegt, heeft misschien ook te maken met de erfenis die ze wil achterlaten, de verduidelijking die ze zelf wil voorzien. Al hoeft dat niet noodzakelijk waar te zijn:

  De mens is onderweg, zo reist de tekst verfijnd
  (vóóreeuwig, bovenordelijk, geheimnisvol)
  door commentaar en meditatie zonder eind
  met enig-zijnde multipliciteit.

  (uit ‘Tetragrammaton’)

De tekst bevat een eeuwige dynamiek, is eeuwig voorwerp van veranderende blikken en interpretaties. De mens is onderweg, en daarmee de tekst eveneens. Zo is ook de dichter lezer, en dat geldt zeker voor Christine D’haen in Innisfree. In ‘Amis venez encore nuit’ wordt de relatie tot de literatuur ? als schrijver en als lezer ? erg mooi beschreven:

  Zie nu de boeken, met spraakkunst en vormleer,
  woordenboeken (het Griekse met prachtig karakter),
  woningen van de letterkundige Heer.
  Maar je komt voor gedichten: weinig volmaakt,
  zoveel fragmenten in zovele talen,
  van jou en haar het steeds vervolmaakte,
  samen te lezen als ademhalen.
  Jij bent een geleerde, je deelt het haar mee,
  en zij zegt ook wat ? die luttele uren
  moeten een heel gedroomd leven duren.

De nuance die Christine D’haen aanbrengt, betekent veel in een bundel van dit conceptuele gehalte: zelfs de voorkeuren, de richtlijnen misschien, die dwingend lijken te worden overgeleverd, houden een lezer voor ogen die al dan niet ingaat op wat de tekst herbergt. Ook in ‘De beker van Djamsjied’ krijgen D’haens woorden onder andere een poëticale kleur:

  Maar klaart de droesem door het oog, dan licht
  de spiegel op met inniger gezicht,
  het inzicht heldert, de begeerte sticht
  een vorderend vuur; voorbij de duistere rand,
  rondom, des bekers, reikt de geest en brandt:
  de vorst, de wijn, het kunstwerk, in wiens hand,
  waartoe richt zich profetisch wie het denkt,
  wiens bloed drenkt onze aderen, wie schenkt?

De dialoog tussen lezer en dichter verloopt via de tekst: ‘Niets moet nu nog geschieden (slechts het beeld / opgeschort in de tijd) dan de grammatica, / de doolhof waar de weg te vinden is / dank zij de oude studie der grammatica.’ De tekst behoudt zo de profetische waarde, voorbij de grenzen van de tijd. Wat Innisfree in dat opzicht zo bijzonder maakt is dat de poëticale lijn die Christine D’haen uitzet, eveneens wordt weerspiegeld en aanschouwelijk gemaakt in de inhoud. ‘Ab ovo’ is daar een prachtig voorbeeld van: het hele gedicht is een eigentijdse compositie die een twintigtal vertaalde en chronologisch geordende citaten vat in een collage. Het resultaat is een erg geladen, maar sterk ritmisch geheel. De tijd gevat in verzen. D’haen geeft in het notenapparaat van die vertaalde verzen ook de contexten vrij, maar besluit de uitleg als volgt: ‘Maar ook zonder die kennis kan hij [de lezer] door zijn verbeelding een waas van betekenissen scheppen, met een bijzondere, meditatieve sfeer.’ Tegenover die vrijheid staat: ‘Het gedicht is mooier als de lezer weet in welke context ze staan.’ Zo’n beetje de vrijheid die de lezer heeft om het voetnotenapparaat naast zich neer te leggen, dan wel te verorberen met het angstige hart iets te hebben gemist. Niet van levensbelang dus, althans niet voor de lezer. Maar voor de dichter die hem/haar het vertrouwen schenkt: met veel plezier.

Christine D’haen, Innisfree. Querido, Amsterdam, 2007.

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

12 oktober 2017

Een antikrimi

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer