7 mei 2007

Vreemdgang, Henk Van der Waal

Vreemdgang is een bundel uit één stuk. Wat begint als een anekdote, een fragment uit het dagelijkse leven groeit geleidelijk aan uit tot een sluier die van dat leven af wordt gehaald. De wijsheden die Henk van der Waal uitdrukt, gelden niet als de bevestiging van een superieure mentale positie, maar net als aanleiding om zich binnen de menselijke maat te plaatsen. Vreemdgang geeft een beeld van de menselijke conditie, dat zowel talig als inhoudelijk genuanceerd is. Van der Waal is onweerstaanbaar in zijn zoektocht naar antwoorden, in zijn analyse en zijn besef van de discrepantie tussen theorie en werkelijkheid, constructie tegenover overrompelende ruimte. Over hoe de mens zich in het verlies weet te handhaven of dat zou kunnen/moeten, uit noodzaak of doelbewust.

Oorspronkelijkheid in ontzelving
In ‘die vervloekte oorspronkelijkheid’ haalt Van der Waal het beeld naar boven van een stukgelopen relatie. Tegenover de wetten van de liefde staan de theorieën over vrijheid die een zekere ‘je’ fingeert om zichzelf in naam van de ‘barmhartigheid’ en tegen de ‘beslaglegging op andermans verlangen’ te verzekeren van zijn ongebonden leventje en de ander tot angstige aanhankelijkheid en verbondenheid te verleiden. De angst keert echter snoeihard terug naar de afzender, wanneer niet de ‘je’ maar ‘zij’ de ‘je’ dwingt tot de zelf geschapen rol als ‘welgevallige, invullige, vrijzinnige, / zelfstandige, rotsvaste, ondersteunende, goed- / vindende, vrijlatende, onkwetsbare, niet / verwijtende, verantwoordelijke, plichts- / beseffende en indien gewenst teder masserende’. De woorden die de ‘je’ daartoe uitsprak, benarren nu diens werkelijkheid. Maar ‘de werkelijkheid is geen idee in je hoofd’, gaat niet in op zelfbereide theorieën. Er heersen andere wetten die niet voortgaan op evidentie, of waarneming en verwachting.

De scheiding die Henk van der Waal portretteert, hoeft, zo lijkt het, niet noodzakelijk rampzalige gevolgen te hebben: ‘wat er van je overblijft als er in je lichtkoepel van / geborgenheid plotseling een schuurmachine / aanslaat die met grove korrel de opperlaag van / geluk van je huid schraapt […] is je bodem, is de rest waarin je bent en waarin / tot je stomme verbazing gift ligt opgeslagen, / vrijheid, ruimte en ook de lucht waarmee je heel / zacht en zonder haat en afzender natuurlijk / onbekend haar ziel aanrilt’. Die bodem lijkt veel deugden te bevatten, is het resultaat van een soort losmaken van het zelf. De hardheid verdwijnt, maar ook de afzender; de ontzelving als een vorm van ? om het met een lelijk woord te zeggen ? herbronning, een terugkeer naar de oorsprong. Die oorspronkelijkheid ? vervloekt heet ze hier al ? impliceert een onbevangenheid die het zelf ook beschermt. De angst voor verlies bant a priori alle opties die op het geluk worden genomen. Onbevangenheid daarentegen creëert behoud. De kolonisering door de ander heeft een negatieve bijklank, maar kan wel degelijk positieve effecten hebben: ‘haar geheime waarheid / besproeit dan ook je ziel’.

De geldingsdrang van het niemandsloze
In de afdeling ‘dat uitgestrekt niemandsloze’ onderneemt de ‘je’ alsnog verwoede pogingen ‘om de krenking voor te / blijven en uit te bannen’. Het niemandsloze waarin de ‘je’ zich dan ophoudt, is geen lang leven beschoren. De onbevangenheid krijgt geen kansen meer; totdat de ‘je’ ‘gevangenzit in zijn wachten op wat voorbij is’. De oude, of vergane, liefde doet de geldingsdrang van de ‘je’ opspringen, van het zelf, dat uiteindelijk gedoemd is tot ‘een kinderlijke / smeking om aandacht’. Het mag niet baten: de vreugde kan alleen nog bodemloos zijn, onbeholpen, onwerkelijk, want van tevoren onmogelijk gemaakt. Het ‘verguldsel’ dat zich over de ‘je’ legt is schijn, is een innerlijk ‘dat de heren op goed geluk / vol hebben gestort met moralistisch monotheïstisch / steenkolengrieks, -latijn, -hebreeuws, -arabisch’.

Het is de angst ‘voor dat / overweldigend komende dat zich toen / in je gevestigd heeft, voor de radeloosheid om dat / vreemde dat zich niet meer uit je weg heeft laten / werken maar waaraan je ook niet hebt kunnen / beantwoorden en waarover je nette leven / de spijt, de schuld, de teleurstelling uitdrukt’, die zich manifesteert, wanneer je je verliest ‘in wat jou aan het vinden / was’. De ander heeft zo geen kans om zich tot de ‘je’ te richten. Het bewustzijn gaat gepaard met de vestiging van het ‘ik’, dat de ander niet voldoende ruimte kan bieden. Het ‘ik’ neemt de wapens op waar het ontwapend zou moeten zijn, waar het zich alleen in de ontvankelijkheid van het vreemde kan vinden.

Dacht je dat het wel kon of wist je dat het niét kon
In ‘au peintre Georg Eisler et à tout le monde’ doorbreekt Henk van der Waal enigszins explicieter het voorgaande. Hij is zich bewust van het ‘buitenmensende’ dat hij in de bundel heeft opgebouwd. Zijn reflectie is op zich evenzeer theorie als de theorieën over vrijheid die de ‘je’ tegenover de wetten van de liefde plaatst. Het menselijke is onderhevig en veronderstelt in die zin ook een immer aanwezige verloren strijd. Het inzicht in die conditie is wellicht een net zo grote kwelling als dat het een zegen is.

Henk van der Waal brengt hier de nuance binnen. Terwijl op het eerste gezicht de toon er een van inzicht was, wordt hier het bewustzijn gecompleteerd: het besef van de gedachte, misschien zelfs de waarheid, en tegelijkertijd de onmogelijkheid die ten volle onder ogen te zien. Terwijl de eerste cycli van Vreemdgang in al hun aparte constructies nog een zekere talige eenvoud laten zien, gaan naar het einde toe alle registers open: Van der Waal schrijft complexere verzen neer, de inhoud bolt op, ook de strakke geometrische vorm die de gedichten in het begin een vastomlijnde ruimte biedt, sijpelt stilaan weg. ‘[P]as als je de geronnen weidsheid, de ruwe / onontgonnenheid waarin je je hebt aangetroffen laat / zoals die zonder jou ook zou zijn en dat tot en met / jezelf aan toe, kun je vermoeden stellen op het / aanvullende, het uit zwakke bron wellende, het je / jouw verdriet gunnende en ben je verhapstukt door // het meerd?re // het vreem?e // het onbep??lde’. Onbereikbaar is die toestand. Onmogelijk, want complex in de ontzegging van het ego: ‘eenvoudig omdat je de wil niet hebt je wil te breken’.

Henk van der Waal is in Vreemdgang ontzettend mens en ontstellend dichter: geslaagd in de onmogelijkheid van slagen.

Henk van der Waal, Vreemdgang. Uitgeverij Querido, Amsterdam, 2007.

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer