25 september 2006

Schuim,Alfred Schaffer

Piet Gerbrandy schreef in de Volkskrant van 8 september 2006 een eerder negatieve beoordeling neer van Alfred Schaffers nieuwste bundel, Schuim. Zijn oordeel hangt hij op aan een aantal regeltjes waaraan de auteur zich dient te houden om de lezer tegemoet te komen. Die lezer gaat volgens Piet Gerbrandy en de door hem aangehaalde Amerikaanse literatuurwetenschapper Jonathan Culler van een aantal verwachtingen uit:

‘In de eerste plaats ga je ervan uit dat er een spreker is die je iets vertelt, in de tweede plaats neem je aan dat – net als in een normale conversatie – de verschillende zinnen iets met elkaar te maken hebben, in de derde plaats verwacht je dat wat de auteur zegt, de moeite waard is.

Je zou kunnen zeggen dat literatuur alle kenmerken van een wellevend gesprek heeft. De dichter hoopt dat de lezer de beleefdheid zal opbrengen zich in te spannen om te begrijpen wat hij beweert, omgekeerd doet hij zijn best de lezer iets zinnigs mee te delen.’

Gerbrandy meldt dat Schuim, tegen het bovenstaande in, geen pogingen onderneemt om ‘de lezer op zijn gemak te stellen’. De meerstemmigheid – die Piet Gerbrandy beschouwt als de belangrijkste reden voor dat ‘ongemak’ van de lezer, omdat die aanleiding geeft tot inhoudelijke versnippering – is zeker aanwezig in Schuim. Maar dat betekent niet dat Schaffer zich in de veelheid verliest. Integendeel, alle gedichten, alle ‘stellige mededelingen’, zijn gegrond in dezelfde toon, de poëzie in Schuim draagt steeds dezelfde ziel. Schaffer varieert in de toonhoogte. De ene keer is hij bijtend hard, bijna onmeedogenloos, de andere keer overheerst er een gevoel van onmacht, treurnis of van medelijden.

De eerste afdeling in Schuim, ‘Het rijk alleen’, is doorspekt met cynisme, en van een hardheid die een pulserende vinger op de open wonde legt. ‘Prijs de ramp die ons behoedde voor gezichtsverlies, / in mijn bunkers kun je schuilen. Denk aan de wens van je publiek’, klinkt het in ‘Ode aan de gehoorzaamheid’. Of: ‘Gedrenkt in terminologie smeulen / de loopgraven, gedachteloos wind je mij om de vinger, als kreten / van triomf klinken je beloftes. / Je kunt hier je advertentie plaatsen.’ (uit ‘De zaagmeester adviseert’) In ‘Goede raad is duur’ lijkt ook ‘mijnheer de president’ George Walker Bush aanwezig te zijn: ‘Schiet een paar buffels af, / haal een ijsje, gebruik een zakdoek als je niest, laat je spieren zien. Dat werk. / En zeg amen en zeg amen. Kon je nu maar in de toekomst kijken, je had / dit afscheid grootser aangepakt – gezondheid. Dat wordt nog lachen straks.’ ’s Werelds machtigste man krijgt hier een toekomst voorspeld die hijzelf – ‘God bless America’ – niet had zien aankomen. Maar ook de andere zijde wordt in beschouwing genomen. In ‘Alle zinnen op een rij’ lijkt Bono rond te waren: ‘De vraag is: met of zonder jou. De vraag is: wie was hier de baas’; en iets eerder in het gedicht valt – al is dat misschien wat vergezocht? – de naam van diens band af te lezen: ‘de stand is nu 2-2’. In ‘Deze wedstrijd is geen pretje’ valt dan de ‘grond onder je voeten’ – van U2 en/of Salman Rushdie – op. Alfred Schaffer associeert, legt verbanden die misschien niet onmiddellijk herkenbaar zijn of iets minder herkenbaar worden gemaakt door de context waarin ze worden geplaatst (; de lezer die de gedichten niet na één lectuur aan de kant legt wordt echter ruimschoots beloond). Maar het gedicht in zijn geheel verkrijgt wel onmiddellijk een zeer specifieke sfeer. En daar is Schaffer een meester in.

In de cyclus ‘Wakker’ schreeuwt Alfred Schaffer het uit. Onrecht staat ook hier weer centraal, net als de manier waarop we daarmee omgaan. Opnieuw Bush junior: ‘Je bent voor of tegen. Ten dode opgeschreven.’ Waarop Schaffer: ‘Maar wie is dat niet.’ En weer Bush: ‘Geen teken van leven: een vorm van bestaan.’ De actualiteit biedt voldoende stof te kauwen. Abu Ghraib, de massavernietigingswapens, 9/11, de zwaarbewaakte Mexicaanse grens, de nieuwe wapenwedloop… In de afdeling ‘Staat verzekerend’ wordt het terrorisme in de Nederlandse context geplaatst; de brochure Wat wordt er gedaan tegen terrorisme? En wat kunt u doen? is de aanleiding voor deze gedichten. Het motto spreekt boekdelen: ‘Ik was aan het winkelen en ineens zag ik een rugzak staan. Helemaal alleen in een drukke winkelstraat. Net toen ik de politie had gebeld, kwam er een jongetje aanrennen.’ (Mevrouw Berends in de net aangehaalde brochure)

Dit alles geloofwaardig binnenbrengen in de poëzie is knap lastig, maar Alfred Schaffer slaagt er schijnbaar moeiteloos in. Zijn gedichten puilen uit van de geladenheid, maar behouden, ondanks de voelbare woede, de nodige afstand tot hun onderwerp. Zijn gedichten zijn meer dan aanklachten. Het zijn gedichten die de poëzie inzetten voor iets belangwekkends, zonder de poëzie zelf te verliezen. Dat is de grootste kracht van Schuim: én de wereld binnenbrengen in de poëzie, en in die wereld de poëzie poëzie laten zijn. En daarenboven duidelijk maken dat we niet hoeven te kiezen.

De meerstemmigheid in Alfred Schaffers nieuwe bundel heeft – toegegeven – voor de lezer een zeer uitdagende rol in de aanbieding. De vele monden waaruit de dichter spreekt scheppen afstand. Wat mank loopt in Gerbrandy’s lectuur van Schuim is dat hij de niet-onmiddellijke herkenbaarheid vervangt door ‘ontoegankelijkheid’ en daardoor – terugdenkend aan de drie regeltjes – nietszeggendheid. Schaffer zegt veel in Schuim. De afstand die hij bewaart, en die Gerbrandy verwerpt, want indruisend tegen het creëren van betrokkenheid bij de lezer, is mijns inziens net dat wat de boodschap zo dreunend aandraagt. Alfred Schaffer heeft wel degelijk een lezer voor ogen, en die krijgt op zijn beurt geen hand, maar een spiegel voorgezet. Of scherven daarvan, die de lezer zo dicht op de huid zitten dat ze ook hem verwarren, verknippen en fragmenteren. Niemand is geheel en al dit of dat. Ook de dichter zelf zit in die zin – misschien ongewild – gevangen in bepaalde patronen.

‘De muziek die ons toekomt’ kende een eerste publicatie als bibliofiele uitgave. De afdeling zoomt in op een ziekenhuisbed, een patiënt en diens familie. Het perspectief plaatst Schaffer bij de familie, die een en al vertoning pleiten. Het gaat soms hard: ‘Wat lig je toch te kermen man, / of lig je soms niet goed?’; ‘Is je kussen niet te plat, heb je geen dorst – wat kijk je nou, / wat kíjk je nou?’; ‘we moesten maar eens gaan, groet ons nu gauw / en denk niet meer aan ons. Sterker nog, / we zijn al weg.’ Het schrijnende is dat de patiënt, de reden voor de aanwezigheid van de ietwat cynische familieleden  en daarmee toch het middelpunt van de belangstelling, slechts een ‘intermezzo’ krijgt toebedeeld. Of, daar lijkt het toch op. In dat tussenstukje schijnen de beschouwingen en gedachten van persoon te veranderen. De patiënt valt misschien niet zo goed te onderscheiden van zijn harde familieleden? Schaffer legt er nog een knoop in: ‘en tegen wie je het nu eigenlijk hebt geen idee zeker / toch niet tegen mij? of moet ik denken jullie?

‘Rijp’ is een cyclus die Alfred Schaffer in Brussel schreef, een paar maanden na het overlijden van zijn vader. Het is een erg gevoelige, turbulente, tegelijk pijnlijke en harde cyclus. En vooral eerlijk. Schaffer legt alles bloot tussen de eerste en de laatste regel: ‘Welkom in de studio, hier eindigt het geloof. Het geloof in een v
ertrektijd, / in een diepere betekenis. Had je dit succes verwacht?’ – ‘De muziek een troost? Met een lege maag is het lastig luisteren.’

Met het laatste gedicht uit de cyclus ‘Krank’moet het eindigen:

  Nu de zaak gelopen is worden we geen seconde meer alleen gelaten.
  Men vliegt als hij maar even zucht, men roept de dokter als hij kucht.
 
Kotsziek op zoek naar nieuwe overlevenden.
  Een groep van twintig jongeren is alvast in hogere sferen,
  gewapend en gemaskerd. De fotograaf trapt zijn sigaret uit,
  brengt zijn camera in stelling en als de dokter verschijnt
  springt de verzamelde pers als één man overeind. ‘Vragen?’
  Geen vragen. En toen en toen en toen. ‘Komen jullie ooit terug?’
  Een overdreven intonatie. ‘Als je het niet erg vindt,
  dan bestellen wij alvast.’ Je rende op ons af, je moet ons hoe dan ook
  hebben herkend – onze wij-vorm een dekmantel,
  een jas tegen de kou. Waar bleven onze praatjes, vielen we stil?
  Doet dit hier pijn? Gaan we vegeteren? Wat verwachten we van de behandeling?
  Weggedoken op de achterbank doorkruisten we de woestenij,
  kadavers sisten in de zon. Bedienden stonden ons terzijde,
  wankelend van insomnie. Een beetje keizer zou nu
  een gedicht hebben geschreven. Om het vertrouwen te herstellen.
  Het zweet op het voorhoofd van zijn onderdanen.
  Als hij roept ‘Ik ben de keizer’ is er niemand die hem hoort
  In het holst van de nacht. Daaraan konden we een voorbeeld nemen.
  Het lijkt erop of alles is geregeld. Spoedig braken andere tijden aan,
  de uitkomst is besproken: niemand raakte gewond.
  Zolang je maar bestond hadden we een reisdoel voor het grijpen.
  We zijn telefonisch te bereiken.
  Nooit is het zo stil geweest.

Piet Gerbrandy’s uiteindelijke oordeel in de Volkskrant luidde: ‘Het geheel […] doet de lezer na verloop van tijd verlangen naar onvervalste schoonheid.’ Het ‘onvervalste’ karakter van die schone wereld, baart zorgen: welke wereld is het immers waarover Gerbrandy spreekt? Gerbrandy’s mooi lijkt meer op – in de woorden van Alfred Schaffer uit een interview met Fleur Speet (De Morgen, 13 september 2006) – ‘rozengeur’. De literatuur als romantische vlucht? Drie keer Schaffer als tegengif:

‘Zeg ons na: het gaat beter nu dan ooit.’
‘Tegenover de harde realiteit, een harde wereld kan ik geen zoetgevooisde poëzie zetten.’
‘Toch snakken we allemaal naar literatuur die ertoe doet, die de werkelijkheid zo kneedt dat we er meer mee kunnen dan die aan te staren.’

De wereld is er klaar voor.
I think I heard a shot.

Alfred Schaffer schreef:
Schuim. De Bezige Bij, Amsterdam, 2006.
De muziek die ons toekomt. DRUKsel, Gent, 2005.
Geen hand voor ogen. De Bezige Bij, Amsterdam, 2004.
Definities en hallucinaties. Perdu, Amsterdam, 2003.
Dwaalgasten. Thomas Rap, Amsterdam, 2002.
Zijn opkomst in de voorstad. Thomas Rap, Amsterdam, 2000.

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer