Met de huid geschreven,Aleksander Wat

Brengt Meulenhoff ons een Verzamelde Wat?

Aleksander Wat was zo oud als de eeuw toen hij in 1967 een einde aan zijn leven maakte. En de eeuw moet zijn sporen in hem hebben achtergelaten. Gedebuteerd als 19-jarige werd hij in Polen vooral bekend al representant van de futuristen die in Warschau in het interbellum een belangrijke stroming uitmaakten. Na een vroege flirt met het communisme werd hij – al ziek – in 1950 door vrienden in het 1 mei defilé meegesleurd, daar kon je maar beter niet wegblijven. Erg geliefd was Wat toch al niet meer vanwege zijn kracht en moed om nog regelmatig heel onwelvoegelijke dingen te zeggen, naar de smaak van het communistisch bewind. Kort voor de oorlog vluchtte Wat met vrouw en zoon oostwaarts om aan de nazi’s te ontkomen, hij werd gevangen genomen en apart van vrouw en zoon gevangengezet, pas in de oorlogsjaren hervonden zij elkaar weer. De laatste jaren van zijn leven verbleef hij in Zuid Europa, een warm klimaat verlichtte de helse pijnen waaraan hij sinds een beroerte leed. Pijnen die hem in 1967 uiteindelijk tot zijn zelfgekozen dood aanzetten.

De verzameling gedichten die Gerard Rasch in 2001 maakte hoeft geen weerslag te geven van dit leven. Wat gaf die zelf al in een voorbeeldige literaire autobiografie Mijn twintigste eeuw (ook Meulenhoff). Het boek werd in gesprek met Ceslaw Milosz op band opgenomen in de Verenigde Staten in 1965. In dat zelfde jaar schrijft Wat:

Wat heb ik hier te zoeken in de spookstad San Francisco?
Ik was een kleine leverancier van heilbot voor de soldatendis,
maar mijn droom was landsknecht te zijn! Branden aan te wakkeren
in veroverde steden!
                                               Onderwijl zit ik hier
naar de in het water weerspiegelende vlammen te kijken.
Staat de stad in brand? Is het de zon, een tel voor het donker?
Haar licht teruggekaatst door de rotsen. De rotsen zijn geel als het bot
dat schaamteloos schijnt door de gesprongen huid van de rug
van mijn hand, roemloos gevallen, op het essenhouten blad
van het café in Fisherman’s Warf.

De hand van de dichter die roemloos kan vallen als een soldaat, maar dan wel op een cafétafel. Wat heeft de dichtershand gedaan in het gewoel van zijn twintigste eeuw, dat vraagt Wat zich af. Hij is er de dichter naar, want in deze bundel is te zien dat Wat wars is van mooischrijverij, van de steriele kunst, en verstilde plaatjes. Zijn geschiedenis als dadaïstisch dichter blijft zichtbaar in deze poëzie, ook als hij zelf die begintijd al heeft afgedaan. Wat esthetiseert niet maar is zo’n dichter met een stem die je bijna hoort. 

Ode 

We hadden indië nodig omdat het kleed uit Madras de vlekken
van onze vette gerechten en kruiden, van onze gebonden sauzen,
van ons vlees nog dampend van het bloed, onzichtbaar moest
maken, want we bezaten geen wasmaschine en waren te zwak om het
in de teil te wassen, en chemisch reinigen was verdomde duur;
We hadden indië nodig zodat we aan tafel hymnen uit de Rigveda
konden zingen, we bezaten nog geen grammofoon en uit de
Japanse transistor bulderde een woeste beat die onze tere cortex
verwondde en de wankele spiralen van het na meunier pas terug-
gewonnen evenwicht ontwrichtte;
We hadden indië nodig: tegen een bedelares te zeggen ‘ta twam asi’ – ik
ben jij, en niet: rot op mens, en om de zusters van onze broeders
aan onze god Shiwa te offeren;
we hadden indië nodig, opdat de pest, de pokken, de cholera, drie
vrolijke zusters, en de melaatsheid, hun broeder, met hangende
hoofden, de armen op de borst gekruist, eerbiedig op de drempel
van onze heilige haardstee bleven staan, beschermd door het koper
van de mezoeza’s – medaillons – van verschillende gezindte, ddt-
poeder en gri-gri’s;
We hadden indië nodig, om ons met smaak, met smaak, zeg ik, ik
herhaal: met smaak, tot barstens vol te kunnen vreten, in ons nest te
kunnen meuren zolang we wilden, en tot onze klotedood te naaien;
zodat de goden-monsters, goden-maskers, goden-dieren
onze mooie en beschaafde dromen niet verpestten.

En wat kan dat indië nou geweest zijn voor Wat? Het is een gedicht geschreven aan het eind van zijn leven, in de verleden tijd. Iéts hadden ze nodig in het leven dat ze leidden. Indië staat misschien in zijn geheel wel voor het elders in het gedicht gebezigde ta twam asi, dat ben jij, ontleend aan de upanishaden, het mystieke deel van de veda, de hindoeistische geloofsleer, in Nederland effectief gebruikt en bekend gemaakt door Dèr Mouw. De gedachte dat het ‘ik’ drager is van alles, van de kosmos. Dat je deel uitmaakt van een groter geheel. Het is een begrip dat vaker in Wat’s poezie voorkomt, en misschien in zekere zin ook wel de essentie van poëzie uitmaakt, de metafoor in beginsel: dat wat in het klein iets uitbeeldt en in zich draagt dat groter is, meer betekent. Dat zou Wat’s indië kunnen zijn, een beginselverklaring achteraf, een keuze voor de poezië zodat de goden-monsters, -maskers en -dieren zijn mooie beschaafde dromen niet zouden kunnen verpesten, en, dat is wel belangrijk, je  tot barstens vol te kunnen vreten, in ons nest te kunnen meuren zolang we wilden, en tot onze klotedood te naaien. Het samengaan van de Apollo-zijde en de Marsyas-zijde van deze dichter: dromen en naaien.

Deze bundel brengt een aantal gedichten uit drie bundels bijeen. Je verlangt al lezend naar het hele werk, een verzamelde Wat, zoals Rasch ons een verzamelde Zbigniew Herbert heeft kunnen bezorgen. Dat mag niet meer zijn helaas. Misschie
n kan Meulenhof een andere goede vertaler uit het Pools zo ver krijgen. Het zou passen in het machtige vertaalfonds van Meulenhoff, en aan die klassieke erfenis een mooie nieuwe zwaai geven. 

Menno Hartman

Aleksander Wat Met de huid geschreven, Vertaling Gerard Rasch, Meulenhoff, 2001

Recent

4 december 2018

Verglijden van de tijd

3 december 2018

Er was eens ...

Literair Nederland - 10 jaar geleden

12 december 2008

Recensie door Dominique Rothengatter
Recensie door Dominique Rothengatter

Onderhoudende en dikwijls humoristische schets over Suriname

‘Suriname in het hart’, is een onderhoudend boek, dat in reportageachtige stijl een persoonlijke schets geeft van de ervaringen van een journalist en zijn gezin in het hedendaagse Suriname. Als lezer maak ik gaandeweg kennis met de taal, cultuur, journalistieke en de politieke situatie door de ogen van een ‘bakra’ (‘…een bleke Hollander…’). De rode draad door dit verhaal is de liefde voor Suriname van de freelance journalist Diederik Samwel en zijn vrouw Mirjam en hun kinderen Rover, Momo, Sigi en Donna voor dit relaxte maar ook eigenzinnige land.

Lees meer