24 oktober 2005

Recitatief

Toen dichters hun zinnen nog begonnen met O

Nu Nederland meer dichters dan poëzielezers kent, is het wel eens prettig om het verleden in te duiken. Gewoon omdat je wel eens af wilt van de hijgerigheid van het actuele en omdat je nog veel bundels ongelezen in de kast hebt staan. Ab Visser is voor mij niet helemaal onbekend. In mijn voorliefde voor A. Marja kwam ik hem regelmatig tegen, meestal als slachtoffer van deze Groningse practical joker. Zo links en rechts had ik al eens een roman van Visser gekocht op een rommelmarkt en in mijn boekenkast staan twee bundels van deze auteur. Recitatief, een bundel uit 1956, verscheen in de prachtige reeks de Boekvink. Voordat het boekje vijftig jaar oud is, werd het eens tijd om het te lezen.
Dat viel niet echt mee. Vissers verzen zijn zeer toegankelijk, maar dan ook zo toegankelijk dat je nergens langer dan drie minuten over hoeft na te denken. Hij is zo expliciet dat het niet mooi meer is. Zie bijvoorbeeld de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Ik was zo eindeloos…’

'Ik was zo eindeloos
droevig vandaag
dat ik alleen door
het regendorp liep
en de boomkruinen
zeven hemelen diep
zag weerkaatst in
pokdalige plassen.'

Erg veel poëtische spanning zit daar niet in. De laatste strofe begint met ‘O de hoge bruine / lentebomen’. Daar houdt Visser van, dat lyrische O aan het begin van de zin. ‘O laat mij niet’ ‘O zie, mijn vingers tasten week’ ‘O geef mij opnieuw de bomen’ ‘O tijger pijn, ik ken je’ ‘o paard van Troje’ ‘Dan, o dood, zal doen verwaaien’ ‘O het kortzichtig / dwepend misverstaan’ ‘En o vergeet dan nooit de / snelle eindeloze nachten’ ‘O gun mij die zegenvierende, troostende lafhartigheid’. Ook het eindrijm dat Visser gebruikt laat soms te wensen over. Tussenpozen rijmt misschien op klaprozen, maar dan moet je wel met de klemtonen goochelen.
De laatste rijmelarij komt uit het gedicht ‘Epitaaf’ waarin hij nogal duidelijk verwijst naar zijn eigen ziekte: Bechterew.

‘Ik was een distelveld vol pijn,
een braakland, met bij tussenpozen
de al te snel verwaaide bloei
van koolzaadbloemen en klaprozen.’

Op de een of andere manier ontroert die strofe me ook. Naast alle kritiek die je terecht kunt hebben op deze regels geven ze wel een volstrekt eerlijk beeld van de eigen toestand, met misschien ook een verwijzing naar zijn eigen literaire carrière.
Voor het gedicht dat er op volgt geldt hetzelfde:

Tijger pijn

O tijger pijn, gevangen
en gekooid voortaan
in mijn ziek lichaam,
tijger pijn,
met ingehouden adem
let ik op het scherpen
van je nagels die met
schrammen van venijn
’t mene tekel kerven
aan de dunne wand
van mijn bestaan.

O tijger pijn, ik ken je
grillen van je hees
gegrom en zachte spinnen,
tijger pijn,
als een dompteur ben ik
gedoemd om jou in toom
te houden en te winnen.

Tijger pijn,
jij blijft gereed
voor een onverhoedse
aanval en een laatste
dodelijke beet.

Ab Visser heeft literair nooit veel succes gehad en dat is te begrijpen als je deze bundel leest. Het gaat veel over de dood, zonder dat je er ooit een interessante gedachte over leest. De gedichten zijn geschreven in een tijd waarin er volop geëxperimenteerd werd met de vorm en deze gedichten zijn anekdotisch van aard. En toch, en toch toont de dichter zich naakt aan zijn publiek: met zijn pijn, met zijn vertwijfeling en met een pijnlijk inzicht in het eigen onvermogen tot een groots en meeslepend leven, zoals blijkt uit het laatste gedicht uit de bundel.

Avondliedje

In de stilte van de kamer,
die als gaslicht om ons suist
groeit een ademloze teerheid,
als jouw blik de mijne kruist.

In de straten wordt het rustig;
die nog langs gaan, weten niet,
dat er hier geluk mocht bloeien
aan de springbron van ’t verdriet.

Kon het avond zijn en blijven,
nu de dag voorgoed verglijdt.
O gun mij die zegenende,
troostende lafhartigheid!

Dat is geen grote poëzie. De tweede strofe is zelfs hemeltergende kitsch, maar de twee laatste regels zijn dan weer ontwapenend eerlijk. O arme Ab Visser, wie leest je nog, wie heeft je ooit gelezen?

Coen Peppelenbos

Ab Visser: Recitatief. De Arbeiderspers 1956. 30 blz. (alleen antiquarisch verkrijgbaar)

Recent

21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

20 november 2017

Het leven ontwijken

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 november 2007

Geloven in een god die niet bestaat
Door Bernadet

Op de titel De Kunst van het Nietsdoen (2004) van Theo Fischer reageerden veel mensen met: ‘Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen.’ Daar ging het boek echter niet over. Het ging over Taoïsme; het niet steeds willen ingrijpen in de gebeurtenissen van je leven en de dingen naar je hand te willen zetten of bezweren.

Lees meer