17 oktober 2005

Op de hoge

Leer het zwijgen

Om nou te zeggen dat het goed gaat met het christelijke thema in de Nederlandstalige literatuur, is wellicht wat overdreven. Maar getuige de laatst gelauwerde schrijvers en uitgegeven boeken, leeft het thema zondermeer.

Vorig jaar nog won Willem Jan Otten de Libris Literatuurprijs met de roman Specht en zoon, waarin het paasverhaal op kunstige wijze is verweven. Een week geleden mocht Jan Siebelink de AKO Literatuurprijs in ontvangst nemen voor zijn indrukwekkende roman Knielen op een bed violen. In dit boek beschrijft hij het aangrijpende verhaal van een door godsdienst bevangen vader. Onlangs kwam het dagboek Barsten uit, van Désanne van Brederode. In dit boek behandelt ze niet alleen actuele thema’s zoals het integratiebeleid, maar ook haar beleving van het geloof.

Hierboven zijn misschien maar drie voorbeelden genoemd (weliswaar in kort tijdsbestek uitgegeven), de discussies over deze boeken zijn in de media niet te omzeilen. Op televisie is Siebelink een graag geziene gast, Otten was wekenlang in discussie met sceptici als Kousbroek en zijn keuze voor het katholicisme is uit en te na besproken. Brederode zien we terug als controversiële gelovige in tekst en uitleg. In de kranten wordt breed uitgemeten over het christelijke thema in de literatuur.

Siebelink beschreef het in het NCRV-programma Schepper & Co. als een vlucht uit de snelle en als maar op macht beluste maatschappij. Zijn boek is dreigend traag geschreven. Al het materiële wordt aan de kant gezet; de vader is alleen nog op zoek naar zichzelf. Deze tendens zien we ook terug in de poëzie van Willem Jan Otten. Zinnen als: ‘Ik heb mij nu zo luid tot u gericht / dat uw zwijgen is gaan klinken’ stralen een rust uit die haaks staat op de competitieve samenleving.

In het licht van de bovenstaande ontwikkelingen lijkt het mij goed om op deze plek een bundel te bespreken waarin geloof een belangrijke factor is. In 2003 gaf Willem Jan Otten de zoekende bundel Op de hoge uit. Ik bespreek voornamelijk het eerste deel van de bundel en dan met name het titelgedicht. Wij lezen:

OP DE HOGE 

Liep augustus op zijn einde,
sloot de badmeester de hokjes af,
fietste neuriënd september in.

Niemand was er dan ook bij
dat ik de plank betrad. Ik was
geblinddoekt als een deserteur.

Dit zijn de stappen bang bang bang.
In het Bosbad op de hoge
zweet men het peentje bangverlang.

De zon stond even laag als ik en stond
op punt van zakken in de grond.
Wie mij naar boven had gebracht?

Ach mijn lief. En ik wist: morgen
word ik wakker maar ontkomen
kan ik niet. Uit de schoonspringdroom

ontwaakt men met de schoonspringdroom.
Ik wist: ik maak ze nu dan dus.
De aanstalten. Ik sta precies

zo hoog als nodig om bevreesd te zijn.
Dit is de toegedachte afstand tot
het lussenwevend water doopselzacht.

Het heeft me altijd opgewacht ?
maar waarom vrees ik dan ineens het bad
alsof het heel snel leeggelopen is?

Dat zo ik sprong ? ik wil, ik wil ?
ik vallen zou en niets mij ving?

Uit: Willem Jan Otten, Op de hoge, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2003

In dit gedicht staat de ik-figuur op de hoge duikplank. De badmeester heeft het zwembad verlaten en ‘fietste neuriënd september in’. Hij staat alleen, op zichzelf aangewezen, want ‘niemand was er dan ook bij / dat ik de plank betrad.’ Er is iets buiten hemzelf: het wordt hem onzichtbaar gemaakt en hij loopt weg van zijn eigen wil: 'Ik was / geblinddoekt als een deserteur.' De keuze om op de hoge te staan, heeft hij niet zelf gemaakt. Maar hij weet ook niet wie hem naar boven heeft gebracht. De ik-figuur is overgeleverd aan de ‘schoonspringdroom’ en kan alleen nog ontwaken mét de ‘schoonspringdroom’. Die sprong in het diepe krijgt hoegenaamd een religieus karakter in de zevende strofe, waar staat: ‘Dit is de toegedachte afstand tot / het lussenwevend water doopselzacht.’

De twijfel, de overgave, de twijfel, de overgave; het is een herhaling van angst, wellicht van angst voor bevrijding: ‘waarom vrees ik dan ineens het bad / alsof het heel snel leeggelopen is?’ Toch heeft hij geen keuze om te springen; de ik-figuur móet wel. Iets heeft hem bevangen, aangegrepen en dat het zo ingrijpend is, bewijzen de volgende woorden: ‘Ach mijn lief. En ik wist: morgen / word ik wakker maar ontkomen / kan ik niet.'

Op de hoge is niet het eerste gedicht waarin Otten zijn keuze voor het christelijke geloof verwoordt. Al eerder, in de bundel Eindaugustuswind (1998), is het ook het titelgedicht dat een bijna angstige overgave weergeeft en tegelijkertijd een ingrijpend bewustzijn, dat hem geen keuze laat. Echter, in Op de hoge zien we de oorzaak en het gevolg; de periode vóór en ná de bekering. Dat maakt het gedicht ‘Op de hoge’ tegelijkertijd tot een sleutelgedicht.

In een interview met Vrij Nederland vertelde Otten een anekdote over het wegdoen van zijn boot. In het vooronder had hij, in een aartsdonker gedeelte, een opdracht gekrast. Deze opdracht was alleen te lezen als je met een zaklamp in de boeg dook. De gedachte dat ooit iemand deze opdracht zou lezen vond hij spannend; deze boot zou altijd iets van hem meedragen en alleen per toeval zou iemand daar achterkomen. In het gedicht ‘Bij de verkoop van mijn boot de vrijheid’ schrijft Otten: ‘Ik heb haar van de hand gedaan …’ en later:

‘…Ga scheep, mijn schip,
ga scheep in mij, er is nog maar
één meer om op te gaan, hier, hier,
en heel dat meer gaat, integraal,
nu met mij scheep op jou’

Deze veelbetekenende woorden zijn een herinnering. In ‘Op de loopplank’ zet Otten een vooruitzicht in. En wel die van een bekeerde: ‘Eén leven moest en zou voldoende zijn voor het bestaan.’

Otten schrijft persoonlijke gedichten. Hij gaat diep, onderzoekt zijn eigen denken; hij dúrft te denken. Iets wat we al van hem kennen uit de eerlijke betogen over pornografie. Hij is niet bang voor de confrontatie, dat merk je in zijn hele oeuvre. Het is een constante zoektocht naar zichzelf, naar het behoudende in hem en de bevrijding buiten hem. Maar er is meer, want we lezen ook beschouwende gedichten: over de vuurwerkramp in Enschede, het huwelijk van prins Willem Alexander met prinses Máxima of over de schietpartij in Gorinchem. Ondanks deze onderwerpen blijft de poëzie van Otten een vaak ingewikkelde constructie van aards en hemels denken, of beter: bidden. Het is een opeenstapeling van ordinaire beelden en zweverige metaforen, maar dat maakt de poëzie bijzonder:

‘Er bestonden neuriënde mensen. Ze waren niet te kennen
anders dan van zwaaien fietsend naar de Albert Heijn.

Ze weefden zwaaiende een kyrie dwars door de nieuwbouw
heen. Alleen wanneer ik neurie, wist ik, weef ik mee.’

Het tweede deel van de bundel handelt over Alexander de Grote, een onderwerp waarover we volgend jaar ook een toneelstuk van Ottens hand mogen verwachten. Gedichten over een veroveraar, die overwonnen wordt door ziekte: als het stil is. En ook hierin zien we weer de woorden uit het gedicht ‘Eindaugustuswind’, die ik in eerder al aanhaalde: ‘Ik heb mij nu zo luid tot u gericht / dat uw zwijgen is gaan klinken&
rsquo;. 'En,' voegt Otten daar in de inleiding op zijn toneelstuk Braambos aan toe: 'als je stil bent, hoor je alles.'

Het lijkt een oproep aan allen, die in elke tekst met een christelijk thema doorklinkt: staakt het roepen, leer het zwijgen. En daar zal overwinning zijn.

Recent

21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

20 november 2017

Het leven ontwijken

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 november 2007

Geloven in een god die niet bestaat
Door Bernadet

Op de titel De Kunst van het Nietsdoen (2004) van Theo Fischer reageerden veel mensen met: ‘Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen.’ Daar ging het boek echter niet over. Het ging over Taoïsme; het niet steeds willen ingrijpen in de gebeurtenissen van je leven en de dingen naar je hand te willen zetten of bezweren.

Lees meer