3 oktober 2005

Erlangen 7

Sven Cooremans
Erlangen 7

Sven Cooremans (1970) debuteerde twee jaar geleden met de bundel Myeline en bracht onlangs zijn tweede, Erlangen 7, uit. Met een ondertitel: ‘of hoe ik denk dat ik mezelf in verhalen kan vertellen’. Sven Cooremans brengt in Erlangen 7 niet dat ene eigen verhaal, maar haakt verscheidene verhalen, verscheidene figuren ook, vast aan een zekere, niet meteen heldere structuur.

In welke mate het tere
in elkaar vloeien van vormen
werd versterkt door de toestand
waarin de man uiteindelijk bewaard
bleef, viel die dag ? voortgaande op
het rijkelijke gebladerte komt enkel
een dag in de zomer van [onleesbaar]
in aanmerking ? moeilijk te bepalen.

Maar laat dat nu net de opening zijn.

Dit gedicht sluit zowel de eerste afdeling, ‘Een’, als de gehele bundel af. ‘Maar laat dat nu net de opening zijn’ wil dus meer dan alleen maar binnen dat ene gedicht te worden geduid. De opening ? die de dichter lijkt aan te reiken als een ‘moeilijk te bepalen’ samenspel ? impliceert een constructie, een vastgelegde structuur. Erlangen 7 kan zeker op die manier worden gelezen: vier afdelingen ? ‘Een’, ‘Een ander’, ‘Een derde’ en ‘En tenslotte een’ ? met telkens zeven gedichten vullen vier inleidende, bijna samenvattende of richtinggevende gedichten aan (die dezelfde titels krijgen als de vier afdelingen). Het eerste gedicht:

Een

Over een man
en zijn grote geluk
valt het doek.

Mij zal hij
niets horen zeggen
tenzij zacht

dat het niets is,
dat het maar een woord is,
of het is er geweest.

Aan de laatste strofe wordt een ambigu beeld opgehangen: ‘dat het maar een woord is, / of het is er geweest.’ Is het het woord dat ervoor zorgt dat wat gebeurde voorbij is ? er geweest is ?, of is het het woord dat schept, is het woord dat wat tot leven wekt ? het is maar een woord en het is er? Of zoals in ‘Een derde’: ‘Wat ontbreekt wordt gezegd en verzwegen’. In dezelfde zin komt ook Erlangen, een stad bij Nürnberg, de gedichten binnen. Als link met Albrecht Dürer, Duits schilder, etser en wiskundige, en als eindpunt van een zoektocht, een ‘verlangde’ droomplek voor de personages in de gedichten.

‘Een ander’ lijkt zich op dezelfde manier te profileren. Feiten, dromen, slaap, verlangen, logica, vroeger, tijd, woorden, herinneringen… komen allemaal naast elkaar voor in de gedichten van Sven Cooremans. Nergens is wat de lezer te zien krijgt, eenduidig of makkelijk herkenbaar als feit of droom, werkelijkheid of verbeelding. Dat onderscheid lijkt ook niet meteen de kern van Erlangen 7 uit te maken. Feit en droom verhouden zich schijnbaar niet tot elkaar als tegenpolen, maar ? noodzakelijkerwijs ? als elkaar aanvullende geestestoestanden:

Het wordt een heldere nacht
met in het midden van het land
een mens, die badend in woorden,
de slaap zal ontvallen en reiken
naar waar het water heeft gestaan.
Temperaturen zullen schommelen
en de mens zal zich herinneren
waar. En de mens zal zich begeven.

Alleen de tijd lokt vijandigheid uit: ‘Als ik de tijd nu eens de nek omdraai’, ‘de ruwe handen die doen dromen van voorgoed / het noorden verliezen en blijven’. Een voortdurend komen en gaan, vertrekken en blijven, afstand, aan- en afwezigheid doordrenkt de gedichten. Het verlangen maakt het begeerde het mooiste op een afstand, het is de zweem van afwezigheid die het verlangen versterkt. Dat verlangen wordt in ‘Een ander’ voorgesteld als: ‘Soms laat een dichter zich kennen, / weegt verlangen een steen’. In ‘En tenslotte een’ wordt dat: ‘zo volmaakt / monddood geslepen ligt / de steen op de bodem / van een plas tussen de rotsen, / waar na de vloed wat water is // achtergebleven, na te glanzen.’

Die elementen die zich over de grenzen van de afdelingen heen bewegen, laten een indruk van een bewust gesponnen weefsel na. Zo is er ook Albrecht Dürer (1471-1528), beschouwd als de meester van de Duitse Renaissance, die spreekt in enkele citaten en gedichten. Hij is steeds verbonden met het vertelde, steeds inspirerend of toepasselijk, maar neemt nooit helemaal (of helemaal alleen) de rol van inhoudelijke kern op zich. Dürers sporen lopen door de hele bundel, maar treden nooit volkomen in het voetlicht.

Erlangen 7 is in de eerste plaats een bundel over verlangen en de aan- of afwezigheid van geluk (wat niet altijd ook de aan- of afwezigheid van het begeerde veronderstelt). De afdelingen ‘Een derde’ en vooral ‘En tenslotte een’ bevatten gedichten van mijmering, van verbeelding en herinnering, en gaan niet zelden over lichamelijke relaties. Toch lijkt Sven Cooremans veel meer te willen dan alleen maar die gevoelens en die constructies aan te reiken. Erlangen 7 wil een gooi doen naar iets groters. Enkele van Cooremans’ gedichten doen daarvoor te traditioneel aan, verdrinken in de (in andere gedichten meestal wel beheerste) melancholie of bezitten niet echt de kracht om op eigen benen te staan; daarvoor is het bedachte plan te zeer aanwezig. Uit andere gedichten daarentegen komt een dichter naar voren met een mooi taalbewustzijn, een creatief gebruik van metaforen en een gevoel voor niet te overdadige of overduidelijke gelaagdheid.

van sommige honden het hart
van de buitenkans: een dode hoek
en de afstand bewaard en omgekeerd
evenredig geweten met het vuur
dat zingt in grote ogen,
dat groeit tot zelfverlies.

Sven Cooremans:
Myeline. Leuven, Uitgeverij P, 2003.
Erlangen 7. Leuven, Uitgeverij P, 2005.

Ook in:
Maarten de Pourcq en Xavier Roelens (samenstellers), Op het oog. Leuven, Uitgeverij P, 2005.

Recent

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

19 november 2007

Net niet spannend genoeg
Door Fatima Bajja

Het lijkt alsof Sylvia Houweling alles heeft wat haar hartje begeert. Ze is getrouwd met Eddie Kronenburg, heeft twee kinderen en woont in een prachtig huis in Amsterdam-Zuid. Toch is het allemaal niet zo mooi als het lijkt. Eddie werkt namelijk in de onderwereld, hij is verantwoordelijk voor het transport van drugs.

Lees meer