3 december 2007

Held, Saskia De Coster

Iets meer dan een jaar na haar goed ontvangen derde, Eeuwige roem, ligt er weer een nieuw boek van De Coster in de winkel.

In het eerste deel neemt een meisje met een eetstoornis een autistische jongen op sleeptouw om middels een logisch doorgevoerd maar volstrekt absurd plan een doof-stom-blinde jongen weer te leren praten. Zo samengevat lijkt het idioot, maar De Coster weet die idiotie binnen de leefwereld van de personages zo volstrekt rationeel te brengen, dat je als lezer er probleemloos in meegaat en het rariteitenkabinet als logisch accepteert. Als de personages Lien en Marcus een cavia een bamibal voeren omdat hij altijd maar vieze korrels krijgt en daarom niets zegt, dan accepteer je direct daarop de redenering dat het mogelijk moet zijn woorden uit dat beestje los te knippen. En als Lien en Marcus ter verantwoording worden geroepen door de schooldirectrice, leef je met ze mee als die vreselijke vrouw alle pogingen tot uitleg genadeloos opzij schuift.
In het tweede deel van de novelle, dat zich twintig jaar later afspeelt, gaat Lien, inmiddels journalist, op zoek naar iemand die haar vroegere vijand-en-tegelijk-bloedbroeder wel eens zou kunnen zijn. Hier neemt het tempo iets af en krijgt de novelle een wat hoger soortelijk gewicht. De confrontatie tussen de twee wordt uitgesteld, maar dan komt alles in een mooie apotheose bij elkaar: de kracht van het vertellen van verhalen, de macht van woorden, de haat/liefderelatie, de niet-waarneembare verschillen tussen de waanzin van oorlog en een naderend orgasme en zelfs een halfmystieke eenwording van twee zielen.

Ook in eerdere boeken is er sprake van een tegenstelling tussen twee figuren die op de een of andere manier tot elkaar veroordeeld zijn. In haar debuut Vrije val waren dat Charlotte en Atlantis, die samen op een schip worden gezet als onderdeel van een experiment of een straf en die elkaars lichamelijke afwijkingen gebruiken om voedsel te vangen. In Jeuk zijn dat kroonprins Carl en zijn bastaardbroer Boris, waarbij Boris vooral leeft om zijn broer te haten en te vernietigen. In Eeuwige Roem zijn dat Julie en Babs, die elkaar bij tijd en wijlen tegenkomen en hoewel ze absolute tegenpolen zijn, elkaar als een spiegelbeeld in de gaten houden en zelfs een heftige amourette beleven. In Held tenslotte, is het dus de aanwezigheid van een sullige en ‘gestoorde’ klasgenoot Marcus die de hoofdpersoon Lien, zelf een eenzaam ‘watje,’ de kans geeft zich te profileren en hem mee te slepen in haar plannen. Van zijn motieven komen we weinig te weten, maar het feit dat hij steeds achter haar aan blijft lopen en alleen met haar een klein beetje contact kan maken, wijst er toch op dat ook hij zich wat meer compleet voelt als hij in de buurt van Lien is.

Ook bekend uit eerder werk is het meisje dat zich haar hele kindertijd feilloos weet te herinneren. Zo weet Lien nog wat haar vader tegen haar zei toen ze vlak na haar geboorte zonder moeder het huis betraden. En ook hebben we al eerder kennisgemaakt met pratende voorwerpen, in die boek vertegenwoordigd door de mevrouw van de gps, een nieuwsgierige bemoeial die Lien niet alleen kan laten en liever wijsgerige observaties rondstrooit dan de weg te wijzen.

In haar vierde boek in zes jaar, geschreven in de schrijversflat op het Spui in Amsterdam, toont De Coster zich wederom een eigenwijze schrijfster met een geweldige stijl. In deze fijne novelle herkennen we thema’s uit eerder werk en laten we ons weer meeslepen door het hoge tempo, de geharnaste zinnen en de ijzeren logica van de personages. Je hebt het in anderhalf uur uit, maar het blijft nog dagen door je hoofd spoken.

Saskia De Coster, Held, Amsterdam uitg. Prometheus, € 14,95

Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen

Recent

22 september 2017

Modiano's spel met de lezer

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer