De Latino's, Leo Pleysier

De Latino’s

Leo Pleysier is een schrijver van formaat. In alle stilte werkt hij aan een oeuvre dat subtiel aandikt, en geleidelijk aan grootse proporties aanneemt. Niet tastbaar (de schrijver is zuinig op papier en drukpers), maar kwalitatief. Zijn klassiekers zijn welbekend. Dat Pleysier zich naast zijn terecht klassieke werken staande weet te houden, bewees hij in 2004 nog maar eens met de novelle De trousse, een ingetogen, maar meeslepende, wonderlijk geregistreerde vertelling van en over zuster Roza die zich na haar jaren als verpleegster in een armenhospitaal in Zuid-India overeind probeert te houden. Ze wordt geconfronteerd met veranderingen die haar en haar medezusters niet steeds gunstig gezind zijn. Pleysier verleent zuster Roza’s retrospectieve monoloog een authenticiteit die respect afdwingt, die de lezer de steeds minder hedendaagse thematiek ? nonnen op missie ? aandraagt in de vorm van een (in alle openheid) vrijwel volmaakt menselijk portret. Uit haar gesprek met haar visiterende nichtje Bregje Cornelissen, haar meticuleuze zorg voor haar overleden kloosteroverste Astrid, en haar omgang met de twee resterende Belgische zusters Gilberte en Lutgarde treedt een personage naar voren dat het religieuze absolutisme heeft weten om te buigen naar een gelovige praktijk die het nodige mededogen kan opbrengen voor afwijkingen van de opgelegde norm, die een ware solidariteit kan beleven, en in die zin het goede in de mens realistisch kan vertegenwoordigen.

Leo Pleysier is in dit soort werken de auteur van het optekenen, van de daaruit voortvloeiende nuance, van rake bewoordingen en een geraffineerde stijl in een zeer aangenaam leesbaar geheel. De taal is oppermachtig, de personages worden als het ware geboetseerd uit de woorden die de schrijver optekent en de (spreek)taal die hij voor hen voorziet. Hij zet zijn romanfiguren naar zijn hand en laat geen detail oningevuld. Van een kleinheid die groots schittert.

Wat een ellende! Wat een misère!
Vandaar het ongeloof aan de in de lente van dit jaar verschenen roman, De Latino’s. In geen enkel opzicht heeft die ook maar iets van het bovenstaande. Zozeer zelfs dat de gedachte aan een bedrieger zich opdrong: ergens, in een hoekje van een of andere kelder, moet de ware Leo Pleysier gekneveld en geketend op de grond liggen, zich afvragend wanneer nu eindelijk de plaatselijke, gewestelijke en federale autoriteiten door de literaire gemeenschap op de hoogte zouden worden gebracht van dit gebruik en misbruik van zijn goede naam, met een intensieve zoekactie, de ontdekking en de ontmaskering van frauderende en echte schrijver tot gevolg.

Het verhaal gaat als volgt: Anna en Toon, sinds hun studententijd in Leuven een koppeltje, dromen ervan zich in Zuid-Amerika (vandaar hun bijnaam: de Latino’s) te vestigen als ontwikkelingssamenwerkers. Hun leven thuis in België raakt, zeker voor Toon, niet van de grond, mede door dat gerichte verlangen: Anna geeft les op een middelbare school in Duffel, Toon verdoet zijn leven met werk- en zinloos rondhangen. Wanneer ze dan uiteindelijk alsnog op missie kunnen ? ze worden door Verre Horizonten vzw aangezocht om als coöperanten in het Ecuadoraanse Calistos te gaan werken ?, lijkt hun leven eindelijk vorm te krijgen (‘Het leven waar ik zo lang van gedroomd heb, is nu pas écht begonnen.’ ? p. 66). Tot hun intens gedroomde en schijnbaar gerealiseerde geluk op des mensen tragiek te pletter slaat. Vanaf dat moment spat hun gezamenlijke droom uiteen en staan ze op een nooit gewild en onverwacht kruispunt in hun leven (dat hier om het verhaal niet te bederven onverklaard blijft). Alsof die hachelijke positie nog niet voldoende zou blijken uit het relaas van de gebeurtenissen, voegt de alwetende verteller daaraan toe (p. 105):

Wat een ellende!
Wat een misère!
Anna en Toon waren naar hier gekomen om de mensen te helpen, om met ze samen te leven en samen te werken en om zo een paar dingen op te bouwen, te veranderen of te verbeteren, maar nu verkeren ze zélf in diepste nood. Nu hebben ze zélf hulp nodig. Nu liggen hun eigen levens er als kapotgeslagen en helemaal in puin bij.

Verteller en personages: de dubbel-zinnigheid
Al van bij het begin treedt de verteller met een zeker cynisme op. Het leven van Toon en Anna wordt op bijna kinderlijke wijze uit de doeken gedaan. Ook de dialogen dragen die overdreven sentimentaliteit, die buitensporige uitleggerigheid in zich. Alsof de twee hoofdpersonages achterlijke idioten zijn, of de lezer te dom is om het zonder verklaring allemaal goed te begrijpen. Pleysier zet hier zijn personages te kijk, gooit ze in een arena gevuld met als Zuid-Amerikaanse predators verklede lezers. De geïrriteerde lezer richt evenwel zijn gelijksoortige blik niet alleen op de personages en de verteller, maar eveneens op de auteur. Die beheerst immers het boek en heeft de macht om in te grijpen. Was de schrijver onmachtig? Of doet hij het met opzet? Behoort de regelrechte dwaasheid van de personages tot de intenties van het verhaal? Wil Pleysier de naïviteit, het geitenwollensokkenimago en de aanmatigende aard van de ontwikkelingssamenwerker voor het voetlicht brengen?

In ieder geval wordt De Latino’s volledig overheerst door het kleinzielige taalgebruik. Een voorbeeld van de kinderlijke ondersteuning door de verteller (p. 108):

’s Anderendaags aan de ontbijttafel komt Anna er ineens mee voor de dag.
‘We moeten hier weg Toon,’ zegt Anna resoluut. ‘We kunnen hier niet meer blijven.’
Daar kijkt Toon nu toch wel even van op.
‘Hoezo we moeten hier weg?’
‘Welja, zoals ik zeg: we moeten hier weg.’
Toon is compleet verrast van die uitspraak, want dit is wel het laatste waaraan hijzelf zou denken.
‘Maar nee,’ antwoordt Toon, ‘we moeten níet weg, we moeten helemáál niet weg! Het enige dat moet is onszelf de tijd gunnen om van deze dreun te herstellen,’ zegt hij.
‘Sorry Toon, maar daar is nu geen tijd meer voor,’ repliceert Anna heel beslist.

En zo verder, enzovoort. De vertelling verwordt tot een aaneenrijgen en voortdurend uit twee monden herhalen van clichématige constructies en spreekwoorden. De verteller valt naar het einde van de roman (Anna en Toon hebben dan het kruispunt al een tijd achter de rug) even uit zijn rol (p. 168):

Maar Toon is te lang uit het zicht verdwenen opdat Anna nog geraakt of overstuur zou zijn van berichten over Toons doen en laten. Anna is te ver heen in haar eigen leven opdat dit soort particulariteiten haar nog zou interesseren.
‘Het kan mij niet meer schelen wat Toon tegenwoordig uitvreet,’ had ze gezegd toen tegen Lut Simons.
Maar of dit wáár is, en of Anna dat wel méént, is natuurlijk een ander paar mouwen.

Alwetendheid die vervalt tot suggestiviteit in één alinea, met als verduidelijking nog eens de letterlijke woorden die Anna uitsprak. De taal die Pleysier zo functioneel en krachtig hanteert in zijn andere werk, graaft in De Latino’s de put waarin zijn personages zullen verdwijnen. Nergens komt een personage tot volle wasdom, lijkt het wel, omdat de toon zo eenzijdig is. Alles wordt overstemd door de meedogenloze regie, het onbegrijpelijk kinderlijke perspectief van de verteller, en bij uitbreiding de schrijver. De personages die Leo Pleysier in De trousse zo kundig tot leven weet te wekken, verkrijgen hier een parodistisch uiterlijk. Dat doordrenkt het geheel van een ondoordachte sfeer, doet het boek aanvoelen als een in alle rapte en met weinig zorg bijeengescharreld verhaal. Of als een afrekening. In beide gevallen blijft er slechts een ontgoochelende roman over. Een tip: lees De trousse en wacht dan nog enkele jaren geduldig af.

Leo Pleysier, De Latino’s. De Bezige Bij, Amsterdam, 2007.

Kurt Snoekx

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

18 juli 2008

Leven na een moord

Door Pauline van der Lans

Zoals de in het begin van de serie Desperate Housewives overleden Mary Alice Young met een alziende blik de gebeurtenissen in Wisteria Lane weergeeft, zo vertelt in Alice Sebolds roman De wijde Hemel de vermoorde tiener Susie Salmon hoe het haar achterblijvers vergaat.

Lees meer