25 juni 2007

Waarover we niet moeten praten

‘Blijf heel, blijf heel’
‘God weet zoveel dat hij soms niet wil weten wat hij weet.’ Dat zegt de moeder van de hoofdpersoon in Annel de Noré’s verhaal ‘Zwarte engelen’ in de bundel die onlangs bij In de Knipscheer verscheen: Waarover we niet moeten praten. God mag dan veel weten, evenals Allah en de orakelende gebedsgenezer bij u om de hoek, maar onderling vertellen aardse stervelingen elkaar over het algemeen bitter weinig. Zeker in de Surinaamse (Zuid-Amerikaanse?) schaamte-cultuur heersen er veel taboes. Waarover we niet moeten praten bevat dan ook veel verhalen over onderwerpen waarover we nu juist wel zouden moeten spreken, vanwege de opluchting, de bevrijding die we daaraan zouden ontlenen. In de bundel staat een twintigtal verhalen van schrijfsters met een Surinaamse of Antilliaanse link, die met dit thema als uitgangspunt een bijdrage hebben geleverd. De verhalen zijn van zeer wisselende kwaliteit, maar er zitten enkele parels bij.
Het is een thema dat me zeer aanspreekt. In mijn hart geen moordkuil, geen ‘skeletons in my closet’ en geen stof onder mijn tapijt. En als we de kans hebben om de waarheid onder ogen te zien, dan moeten we die kans grijpen (en ook bieden, wanneer wij zelf degenen zijn die die waarheid aan het licht moeten brengen). Zo voed ik ook mijn kinderen op, die mij hun harteroerselen beide regelmatig in mijn oor fluisteren. Ieder op eigen wijze. Jeenah (4) kruipt tegen me aan, houdt haar handjes om mijn oorschelp en schettert dan haar gekoesterde geheim op luide toon in mijn gehoorgang. Dat iedereen het nu weet, dat deert haar niet. En Djamey (3), die dribbelt naar mij toe en straalt van voorpret over wat hij mij gaat zeggen. Heel dichtbij brengt hij zijn kleine mondje en dan voel ik dat zijn adem lichtjes ritselt, maar verstaan doe ik niets, zo zacht fluistert hij. Hoewel zij dus beide met hun fluisteringen meer of minder doel treffen dan zij beogen, zijn allebei kinderen opgetogen over het delen van hun gedachten.
En als je dat nou niet doet? Wat dan? Dan val je misschien wel uit elkaar, zoals Hortence Péju in het verhaal van Annette de Vries, ‘In de droge tijd’. Hortence die haar verdriet en boosheid zwijgend met zich meedraagt, decennia lang, en een saai leven leidt, laat zich op een avond gaan. Er vallen gaten in haar harnas en ergens in een roerige nacht staat ze in haar roze broekpak met zilveren pailletten in de Oude Stadskerk in Amsterdam te dansen op graven van lang tevoren gestorven Nederlanders, als een bezetene, in de waan dat zij op het graf van de vrouw danst die zij als haar moeder zag. En iemand troost haar, koestert haar en waarschuwt haar: ‘Blijf heel, blijf heel’. Zo mooi, zo liefdevol.
Op de ‘Literaire Pagina’ van dagblad de Ware Tijd in Suriname, heeft Waarover we niet moeten praten veel aandacht gekregen. Een bespreking van Jeanette John, en daarnaast vier stukjes waaronder eentje van mijn hand. We mochten aangeven wat we het mooist, of het best vonden. Aanvankelijk dacht ik dat het dan wat saai zou worden. Zouden we immers niet allemaal min of meer de zelfde lievelingen uitverkiezen? Aangemoedigd door het enthousiasme van de drijvende kracht achter de ‘Literaire Pagina’, Els Moor, nam ik echter de uitdaging aan en zo zag men die zaterdag een verrassend bonte verzameling van voorkeuren. De een vond het taboedoorbrekende verhaal van Karin Amatmoekrim ‘Decaloog van een oude vrouw’ heel mooi, over een eenzame oude vrouw die terugdenkt aan haar pedofiele zoon die zij een leven lang in bescherming genomen heeft. En de ander zong de loftrompet over Ruth San A Jongs verhaal over zo’n verschijnsel waarover we allemaal wel hebben horen fluisteren, maar om het nu eens in druk te zien … ‘De onderbroek’ gaat over hoe een buitenvrouw afscheid neemt van haar plotsklaps overleden minnaar. Verder zwijg ik daar natuurlijk als het graf over: lees zelf maar!
Om mij heen wordt het boek inmiddels ook gretig verslonden. Dus dat waar we niet over moet praten, daar willen we wel allemaal graag het fijne van weten. En daar praten we dan weer wél over, over het verhaal van die zotte Soeltaan, met zijn witte schoenen, die zo uit de toon valt in Den Haag (in ‘Zelfs een iglo was warmer’ van Orchida Bachnoe). Of de treurigheid die zwaar ‘als doodgewicht’ hangt over de personages in Marylin Simons’ ‘Brandmerk’. En al babbelend over romanfiguren en verhaallijnen, blijft wederom al wat ons in het uur tussen hond en wolf wakkerhoudt onbesproken en ongezegd.
Kortom: een thema dat in elk geval Suriname op het lijf geschreven is. Maar ook een thema dat wat mij betreft nog veel verder utigediept mag worden. Door schrijvers, door schilders, door predikers, door vaders en moeders. Of het nou ongelooflijk dichtbij in je oor gefluisterd wordt of extreem luid de wereld in getetterd wordt.
Vrouwen aan het woord. Waarover we niet moeten praten. Nieuwe Surinaamse en Antilliaanse verhalen. Haarlem, In de Knipscheer, 2007. ISBN978-90-6265-585-4

Marieke Visser

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

12 oktober 2017

Een antikrimi

11 oktober 2017

De stijl tekent de man

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer