5 februari 2007

Waar je valt, M.J. Hyland

Grimmige roman over de onwetendheid
 
De Engelse schrijfster M.J. Hyland (London, 1968) brengt met haar tweede roman Waar je valt een pakkende en sociaal-realistische roman over een opgroeiende tiener in het Ierland van de jaren ’70 van de 20ste eeuw. Dit hoofdzakelijk op autobiografische leest geschoeid verhaal werd zo lovend onthaald dat het een nominatie kreeg voor de shortlist van de Man Booker Prize 2006. Net als in haar eerste roman Hoe het licht binnenvalt (2004), die ook een nominatie kreeg – voor de Commonwealth Writer’s prize -, is de ik-verteller een jeugdig persoon.
In haar debuut liet ze ons kennismaken met een Australisch 16-jarig meisje dat naar Amerika vlucht en er in een gastgezin in aanraking en in conflict komt met de kleinburgerlijke moraal van de middenklasse. Het werd dan ook een echte Bildungsroman van een tiener in volle ontwikkeling. In Waar je valt wordt echter die ontwikkeling niet meer zo uitgebreid benaderd maar krijgen we een inkijk in een vol kalenderjaar van het dagelijks leven en van de dromen van de Ierse 11-jarige John Egan.
 
John is pas elf maar prijkt reeds torenhoog boven zijn leeftijdsgenoten uit met zijn 1,71 meter, waardoor hij de roepnaam ‘Troll’ krijgt toebedeeld. Met zijn vermeende gave om leugens te kunnen detecteren, wil hij ooit eens in het Guiness Book of Records komen. Wanneer iemand een leugen vertelt voelt hij zich misselijk en begint zijn nekstreek te gloeien. Net zoals die keer wanneer hij zijn vader, terwijl die kattenjongen doodsloeg, vroeg of hij daar niet verdrietig van werd. Van alle leugens die in zijn directe omgeving worden verteld houdt hij een dagboek bij en die directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit het armtierige gezin waarin hij leeft. Deze enge leefwereld doet dan ook een beetje claustrofobisch aan waardoor de hoofdpersoon zich ook obsessioneel vastklampt aan zijn zoektocht naar de waarheid en onbesuisd en onbewust worstelt met het Oedipus-element in de emotionele relatie met zijn moeder.  
 
John, enig kind, woont samen met zijn ouders in bij de grootmoeder, vaders moeder, in een kleine woning in het Ierse Gorey, County Wexford. Zijn vader heeft zijn werk opgegeven om te gaan studeren aan het Trinity College. Zijn moeder is winkelier. Omdat zijn vader zijn agressieve buien niet kon intomen worden ze uit het huis gezet en dringt een verhuizing zich op. Ze vinden onderdak in een arme, rauwe buitenwijk van Dublin, Ballynum, met zeven verpauperde woonblokken. Het is een biotoop waar jongerenbendes zich laten gelden en de buurt terroriseren, waar de pis, de kak en de kots rondslingeren en waar overmatig alcoholgebruik een zichzelf vernietigende overlevingsstrategie is geworden tegen de uitzichtloosheid van het leven.
 
De hoofdpersoon wordt zo monolithisch, uit één stuk, beschreven dat hij je niet meer loslaat en je er niet meer omheen kan. Ondanks zijn waarheidsobsessies en zijn ongelofelijke lengte komt hij in zijn belevingen en zijn droom naar een betere leefwereld geloofwaardig over. Men wordt letterlijk met de neus op de realiteit gedrukt en even waant men zich in Het Parfum van Patrick Suskind, wanneer we de zeer verfijnde beschrijvingen van de geursensaties van de vuilniskokers in de appartementsblokken ervaren. De kokhalzende, zichzelf te pletter zuipende en agressieve vaderfiguur en de hardwerkende moeder maken het plaatje van een leven aan de armoedegrens completer.
 
Maar de meeste dromen zijn bedrog, zo ook het geloof dat de waarheid boven alles staat. In zijn streven naar echtheid veroorzaakt John echter heel wat leed wanneer hij zich geroepen voelt om een aantal dingen te openbaren. Zo laat hij aan zijn moeder weten dat vader overspel pleegt, waardoor een scheiding nabij is en de moeder emotioneel gekraakt is en in een depressie belandt. Hier gooit Hyland de handdoek in de ring waardoor John wakker moet worden uit zijn ingebeelde wereld: de geloofwaardig gecreëerde moraalridder moet inzien dat pijn veel moeilijker te verdragen is dan onwetendheid.
 
En, onwetendheid is in dit verhaal zeker ook goed neergezet in de manier waarop John met zijn moeder omgaat. De primaire en gezonde moederbinding ontaard in een pervers streven van John om heel dicht bij zijn moeder te zijn (zoals met haar in bed liggen, terwijl vader in de kinderkamer worstelt met zijn demonen) en ook al omdat zijn moeder te veel benadrukt dat ze hem heel graag ziet. Het is wel allemaal suggestief beschreven maar we kunnen er toch het oedipaal verlangen van John om zijn vader buiten spel te zetten, in zien. Bijna vermoordt hij zijn moeder door haar met een kussensloop te willen doen inslapen wanneer ze niet in slaap geraakt. Het is ons niet echt duidelijk of het de bedoeling was om haar voor eeuwig te laten slapen of dat hij haar wou helpen. Zeker is wel dat er niet altijd wordt uitgelegd waarom iets gebeurd en dat dit gegeven de lezer aan het denken zet.
 

Door de eenvoudige, onopgesmukte stijl is het proza van Hyland zeer toegankelijk en vlot leesbaar. Helder en kernachtig zet ze de scherpe observaties van de hoofdpersoon neer in ingetogen, bescheiden, medelevende maar ook wel vrijblijvende, suggestieve beschrijvingen. De nauwkeurige uitvergroting van een delinquente geest en de speciale aandacht voor idiomen bieden de lezer dan ook iets extra’s. Vertelt in de ik-persoon en in de tegenwoordige tijd voelt het verhaal zeer realistisch aan. De claustrofobische en zwaar emotioneel geladen sfeer beschrijft ze met een ervaren vaardigheid. Deze roman is ook te beschouwen als een psychologische roman omdat Hyland het complexe netwerk van emoties, dat in de eenvoudigste interacties aan bod kan komen, bloot legt. Door de gebeurtenissen in hun diepere lagen zo grondig te beschrijven, krijgen schijnbaar minder belangrijke gebeurtenissen, in een bepaalde context, een betekenis, waarmee de schrijfster bewijst dat ze over een zeldzaam en origineel talent beschikt. Deze roman over de donkere hersenschimmen in iemands geest is dan ook een grimmige roman waar je ongemakkelijk van wordt en bijzonder confronterend is omdat het fictieve element de realiteit zo goed benaderd en tot ethische vragen aanzet.

Geert Beernaert

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Literair Nederland - 10 jaar geleden

29 oktober 2007

Roman met speelse cartoonachtige taferelen De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol. De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis. Steeds meer wetenschappelijke disciplines staan open voor datgene wat deze mensen over bijzondere ervaringen te vertellen hebben die men heeft opgedaan tijdens die crisis. In de westerse wereld zijn wetenschappers de laatste jaren er toe overgegaan dit soort ervaringen toch serieus te nemen en een onderzoek in te stellen naar de strekking ervan. Dat leidt tot uitermate belangrijk onderzoek. Wanneer kan worden aangetoond dat mensen werkelijk de grenzen van ruimte, tijd en sterfelijkheid kunnen overschrijden, zijn de consequenties daarvan voor de wetenschap, de theologie en dus ook voor het leven enorm. Simon Vestdijk schreef in zijn essay Berichten uit het hiernamaals (De bezige Bij , 1982, pg.11) het volgende: Op aarde acht men het psychisch leven gebonden aan de stof. Een dergelijke stoffelijke grondslag kennen wij hier niet. Geen lichaam, geen zintuigen, geen tastbaar denkorgaan, niets. Maar hoe wil ik dat bewijzen? Hoe overtuigend moeten mijn woorden wel klinken, willen zij de kluisters verbreken van wat zelfs ik nauwelijks een vooroordeel waag te noemen? Ik weet zeker, dat ik leef, al ben ik gestorven, en ik weet zeker, dat ik geen lichaam meer heb; maar het zou wel eens kunnen zijn, dat dit dan ook het enige is dat ik weet. Ieder van ons heeft wel eens momenten gehad, dat niets hem eenvoudiger leek dan u, aanstaande lotgenoten, met voorbeeld of beeldspraak uit te leggen hoe wij ons voelen in onze nieuwe toestand, wat er met ons aan de hand is, wie en wat wij zijn en niet zijn. Menige aardbewoner, zo meenden wij, kent uit eigen ervaring wel die dromerige stemmingen, waarin het rumoeren der buitenwereld niet meer tot hem doordringt, en zijn eigen bewustzijn de gehele horizon van zijn bestaan schijnt in te nemen. Dat komt overdag voor, en even voor het inslapen ervaart gij het gewoonlijk op zijn duidelijkst. En nu kunnen wij wel zeggen, dat gij hierin een vergelijkingsmaatstaf bezit, die nadere uitleg onzerzijds overbodig maakt, helemaal eerlijk zijn wij hierin niet, want voor zover wij ons de vroegere dagdromen nog herinneren, weten wij maar al te goed, dat de vergelijking hoogst misleidend is, en dat uw minuten van wegdrijven op innerlijke golven heel iets anders zijn dan onze bestaansvorm. Als gewezen dienaren der wetenschap zouden wij er dus verstandig aan doen onze nederlaag toe te geven. De schrijver Eric de Clercq waagt in zijn roman Het grote spel waterparadijs een poging deze thematiek uit te werken en te gieten in een verhaalvorm. In zijn relaas wordt een zekere Tim ten tonele gevoerd die zich uitgerekend door een sprinkhaan, Vioolpret geheten, laat vertellen dat hij een ongeval gehad heeft en in een comateuze toestand verkeert. Deze toestand zou gelijk staan met de dood. Blz. 17 : “ Je zal ondertussen wel vermoeden dat deze wereld jouw doordeweekse leventje niet is. En dat is het ook niet. Dit is de vijfde Dimensie. De dimensie waarnaast alle levende wezens na hun dood terugkeren. “ Tim wordt in het verhaal omringd door tientallen figuren, allemaal cartoons die de meest uiteenlopende insectensoorten vertegenwoordigen. Elke figuur stelt een soort voor dat het best bij zijn status, beroep of persoonlijkheid past. De figuren die hij tijdens zijn ronddolen ontmoet, komen hem steeds bekend voor. Hij krijgt mensen gepresenteerd die afkomstig zijn uit zijn geboortedorp en die door Tim een plaats toebedeeld krijgen in de vorm van als cartoons. Het stoort hem ook niet dat de figuren creaties zijn van zijn eigen geest. Pas aan het eind van het verhaal keert de rust in Tims’ wereld weer terug. Het feest en de avontuur zijn dan ook voorbij. De figuren van zijn wereld hebben zich teruggetrokken in hun woning op vioolpret na die nog in het rond kuiert..Tim vraagt zich ten slotte af wat de toekomst voor hem in petto heeft. Zou hij uit zijn coma ontwaken en terugkeren naar de aarde, of toch maar hier blijven en binnen afzienbare tijd voor een laatste maal reïncarneren, alvorens te promoveren tot de opperste tweede graad. In de roman gebeurt er van alles, varierende van taferelen die je je in de Efteling doen wanen tot taferelen die zoals Vestdijk schrijft: het eigen bewustzijn de gehele horizon van je bestaan schijnt in te nemen en dat je minuten van wegdrijven op innerlijke golven iets anders zijn dan het gewone bestaansvorm. Het lijkt alsof De Clercq met zijn romanvorm waar hij voor gekozen heeft een poging heeft gewaagd zijn eigen literaire conventie te exploreren en exploiteren. Hij laat je de literaire werkelijkheid met andere ogen bekijken, al is het maar voor eventjes. Desalniettemin kan ik niet concluderen dat De Clercq uitstekende en uitzonderlijke literatuur gecreëerd heeft, d.w.z. literatuur met een inventief beeldend vermogen. In elk hoofdstuk creeert hij een nieuwe bedrijvigheid , volop taal en hallucinerende beelden. Het is voor mij zeker niet bon ton om meewarig te doen over de literaire nijverheid van deze auteur maar als ik zijn literaire conventie serieus neem neig ik te kanttekenen dat zijn relaas veel weg heeft van pulp of zelfs van veredeld divertissement. Voor een serieus thema als reïncarnatie had hij een heel ander soort scéne kunnen bedenken en minder op het speelse en amusante gaan zitten. Het begin van het verhaal is in ieder geval zeer goed bedacht. Het is jammer dat hij voor de tragiek van zijn dramatische expressie gekozen heeft voor taferelen en bedrijvigheden die zijn thema, dat best wel zwaar op de hand is, in het frivole meesleuren. Het is ontmoedigend te moeten constateren dat de verhaallijn die met zoveel ijver en toewijding is geconstrueerd, waar de krachtinspanning ook duidelijk in voelbaar is, enkel de verbinding vormt van een reeks woorden , hoewel deze woorden op zich steeds een beeldenstroom met zich transporteren .Het streven om in deze roman een diepzinnig Oosters gedachtegoed weer te geven , is echter even utopisch als het streven van de schrijver alle aspecten van de zichtbare en verborgen in de reïncarnatie te vangen in een roman, te verklaren door speelse cartoonachtige beelden in de roman en tot slot de personages te willen verklaren door de sociale, de familiaire, historische, culturele, psychologische, biologische, linguïstische etc. van hun geschiedenis.

Roman met speelse cartoonachtige taferelen

De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol.
De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis.

Lees meer