Alleman,Philip Roth

Philip Roth
Alleman

Den Spyeghel der Salicheyt van Elckerlijc en de Engelse tegenhanger Everyman, beide ‘sinnespelen’ van het allegorische, vijftiende-eeuwse type, vormen de vage inspiratiebron van Philip Roths zevenentwintigste roman, Alleman. Terwijl onze Elckerlyc het bezoek krijgt van die Doot, door God uitgezonden om de levenden ter verantwoording te roepen voor hetgeen achter hen ligt, uiteraard met het oog op een spoedige sprong voorwaarts naar hemelrijk of hel, brengt Roth een zuiver menselijk verhaal. Geen Maghe, Neve, Goet, Kennisse of Duecht die mee op pelgrimage trekken of net achterblijven, maar de mens en zijn naasten staan hier centraal. En al wat hen bindt en eenzaam maakt.

Roth heeft er bewust voor gekozen om de moralistische boodschap achterwege te laten, en laat ook zijn personages in die gedachte hun stuk opvoeren. Hoofdpersonage – maar niet de verteller of ik-figuur – is een naamloze dode, gedurende zijn leven succesvol art en creative director bij een New Yorks reclamebureau, woelig gezinslid en na zijn pensionering amateurschilder en vaste klant in ziekenhuizen. De verteller blikt terug op diens leven, van de kindertijd tot de dood. Die verteller is best een cynisch alwetend figuur; hij besluit elke ziekenhuisscène van zijn hoofdpersonage met een korte alinea van enkele decennia gezondheid om meteen terug te keren naar het volgende operatietafelverhaal. Wat de lezer hoort te lezen: het leven is een strijd met de dood, van tevoren al verloren, en bovendien verzwaard door nutteloze ontsnappingspogingen.

De terugblik leidt de verteller tot het uittekenen van de familiale banden die onze ‘Alleman’ – de verwijzing wordt duidelijk wanneer blijkt dat zijn vader een juwelier was die zijn zaak de vernuftige naam Alleman Juweliers had gegeven – heeft onderhouden of, vaker, verbroken. Zijn stoïcijnse lijfspreuk, ‘Neem het leven zoals het komt. Hou voet bij stuk en neem het leven zoals het komt’, overstemt echter eventuele negatieve gevoelens die met die breuken gepaard gaan: ‘Zou alles anders zijn, vroeg hij zich af, als ik anders was geweest en het anders had gedaan? Zou het allemaal minder eenzaam zijn geweest dan het nu is? Ja, natuurlijk! Maar dit is wat ik gedaan heb! Ik ben eenenzeventig. Dit is de man die ik ben geworden. Dit is wat ik gedaan heb om hier te komen en daarmee uit!’ Hij bepleit aan het einde van zijn leven geen ingreep in wat achter hem ligt. Want, zo gaan de dingen. We kunnen er niets meer aan doen. Verantwoording afleggen is een holle en zinloze bezigheid.

Toch vertoont hij, dichter bij het einde, wel een zeker besef, een zeker inzicht in levenswendingen die hij anders had kunnen doen uitdraaien. De erkenning van gemaakte fouten gebeurt niet in het licht van een geloofsopenbaring: ‘Godsdienst was een leugen die hij al vroeg in zijn leven had onderkend, en hij vond alle godsdiensten weerzinwekkend, beschouwde hun bijgelovige prietpraat als zinledig en infantiel, kon niet tegen de totale onvolwassenheid – de kinderpraat en de eigengerechtigheid en de schaapjes, de gretige gelovigen. Voor hem geen hocus pocus over de dood en God, of achterhaalde fantasieën over de hemel. We hadden alleen maar onze lichamen, geboren om te leven en te sterven onder voorwaarden gesteld door de lichamen die vóór ons waren geboren en gestorven.’ Die erfelijkheid beheerst alleman, de geschiedenis is de toekomst.

Dat ook werkelijk alleman te lijden heeft, blijkt uit de levens van de nevenpersonages. Zo is er Phoebe, de tweede vrouw van het hoofdpersonage, die vanaf haar twintigste met migraineaanvallen wordt belast: ‘Er bestaat niets anders in mijn lichaam dan de druk in mijn hoofd’. En Millicent Kramer, de beste van zijn leerlingen schilderkunst, die het boek mooi samenvat: ‘Het komt gewoon doordat je van pijn zo eenzaam wordt.’ Net datgene wat iedereen gemeen heeft, de pijn, de dood, is zo persoonlijk, zo taboe dat het mensen doet vereenzamen: ‘Het spijt me heel erg. Iedereen hier heeft zijn kruis. Er is niets bijzonders aan mijn verhaal en het spijt me dat ik jou ermee lastigval. Je zult zelf ook wel je verhaal hebben.’ Alleen Howie, ‘Allemans’ oudere broer is zijn hele leven lang kerngezond geweest; een eigenschap die uiteindelijk de jaloezie van de zieke opwekt, alsof de weerstand tegen ziektes alleen als beklemtoning van de fysieke tekortkomingen van anderen kan worden beschouwd.

‘Alleman’ voelt zichzelf veranderen: ‘“[A]ndersheid”, een woord in zijn eigen taal dat een zijnstoestand aanduidde die hem nagenoeg onbekend was tot zijn cursiste Millicent Kramer het op een schokkende manier had gebruikt om haar ellendige toestand te beschrijven.’ Het leven dat hij ooit leidde, is verdwenen: ‘Ooit was ik een volledig mens.’ Het zekere einde van alleman is gewoon niet aanvaardbaar: ‘Het is omdat de dood zo onrechtvaardig is. Het is omdat voor wie eenmaal het leven heeft geproefd, de dood niet eens natuurlijk schijnt. Ik had gedacht – heimelijk was ik er zeker van – dat het leven alsmaar verder gaat.’ Dit is een van de sterkste gedachten in het boek: de zekerheid van de dood geconfronteerd met de tegengestelde belofte die het leven schijnt in te houden. Of nog, dé te citeren en al meermaals geciteerde zin uit het boek: ‘Oud worden is geen strijd; oud worden is een slachting.’ Een uitspraak die Philip Roth overigens deed na het zien van de chaos die in Louisiana werd aangericht door de orkaan Katrina.

Alleman is een goed geschreven boek, maar overtuigt niet helemaal. Af en toe lijkt net de keuze voor de naamloze, dode ‘Alleman’ als symbolisch hoofdpersonage de intensiteit van het verhaal tegen te werken. Bepaalde passages en gedachten lijden aan een excessieve bedachtzaamheid, of grenzen aan de voorspelbaarheid. Dat belemmert vrijwel automatisch de geloofwaardigheid, iets wat een allemansverhaal uiteraard niet kan verdragen. Maar misschien berust die beoordeling dan weer op het feit dat dit verhaal des te meer de dingen verwoordt die we, in alle schuchterheid, al wel weten, maar niet willen geloven. Alleman is dood, leve alleman.

Philip Roth, Alleman. Vertaald door Ko Kooman. De Bezige Bij, Amsterdam, 2006. ISBN 90 234 2002 0.

Recent

17 januari 2018

Rusland, mijn Rusland

12 januari 2018

Voelen met verstand

Literair Nederland - 10 jaar geleden

21 januari 2008

Een verhalendebuut
door Bernadet

Het blijft altijd lastig een verhalenbundel te bespreken hoewel door deze verhalenbundel een rode draad loopt. Op de flaptekst staat: De personages in deze verhalen treden elke dag de wereld monter tegemoet, om dan altijd weer te ontdekken dat het leven tegenstrijdige eisen stelt. De situaties waarin ze terechtkomen zijn verwarrend – tragisch voor hen, vaak hilarisch voor de lezer.

Lees meer