23 mei 2005

Vrouwen en kinderen eerst

In Kras, Peter Terrins debuutroman, worden de levens van Firmin De Bontridder, Roger Galle en Jozef Vroman, drie mannen van rond de zeventig die appartementen 333, 285 en 175 bewonen, grondig door elkaar geschud. In hetzelfde mistroostige gebouw ligt appartement 289, dat na drie jaar leegstand weer een bewoner heeft ontvangen. Uit dat appartement ontwaren de drie mannen regelmatig vreemde, krassende geluiden. De bewoner, een wat slungelige en onverzorgde man, wekt een grote argwaan op: het steeds terugkerende gekras, nachtelijk gesleep met vuilniszakken en de zeldzame, uiterst onwennige momenten van ontmoeting maken hem in de ogen van Firmin, Roger en Jozef verdacht. Zeker nadat de Clito van Firmin werd toegetakeld: een lange kras golft van boven het achterwiel naar het voorste knipperlicht. 289, zoals de mannen het appartement en zijn bewoner gaan noemen, moet haast een geheim, een gruwelijke misdaad herbergen. Wanneer de drie mannen de kans krijgen om samen met Rosita, de nieuwe schoonmaakster van het gebouw, het appartement binnen te dringen, lost alle opgebouwde spanning op. Het angstwekkende verhaal dat Firmin, Roger en Jozef aan 289 hadden verbonden, stuikt ineen wanneer blijkt dat er niets te vinden is, op een aangekoekt fornuis en vieze lakens na. De kamer die symbool stond voor het kwade, blijkt niets anders dan een leegte te bevatten. De harde, schokkende wreedheid die als werkelijkheid de plaats had moeten innemen van het tot dan toe slechts vermoede mysterie blijkt afwezig en onwerkelijk. Maar tegelijk is het verbeelde, verwachte en afwezige mysterie onvermijdelijk bepalend voor het gedrag van de drie mannen: in 289 verkrachten en vermoorden ze Rosita (of beter: ze denken haar te hebben vermoord). De dreiging die uitging van, en die de mannen hebben toegekend aan, het appartement wordt bewaarheid. Het verhaal volgt niet de voorspelde lijnen ? de onvoorstelbare gruwel valt uiteindelijk niet toe te schrijven aan die ene verderfelijke zonderling of buitenstaander ? maar vertoont wel alle tastbare resultaten. Het is alsof Firmin, Roger en Jozef op deze manier hun gevoelens van angst en verdenking, van haat en woede rechtvaardigen. Alsof ze hun gelijk alsnog halen. Hun systeem klopte, hun denkpatronen berustten inderdaad op vaste gronden. De gruwel is er, en is onontkoombaar.

In de nieuwste roman van Peter Terrin (1968), Vrouwen en kinderen eerst, keert 289 terug, nu als AT-289, een bijzondere productieband in een verlaten fabriek. Karsten, een jongeman van vijfentwintig, krijgt, door zijn uitgebreide talenkennis, de leiding over een groep van vier mannen ? Antonio, Philippe, Jean-Marc en Johan ? van verschillende origine en discipline. Samen moeten ze zorgen voor de ontmanteling van de productieband. Op AT-289 werd, voor de sluiting van de fabriek, een uitzonderlijk soort vloertegel gemaakt, de slijtvaste Ebony. De perfectie van de vloertegel ging echter ten koste van de omzet, en de directeur verdween van het ene op het andere moment. De dorpelingen, die na de sluiting van de steenkoolmijn, met een zoveelste economische crisis werden geconfronteerd, bleven zonder toekomstperspectieven achter.

Al bij aankomst op het verlaten industrieterrein wordt duidelijk dat de vijf mannen een bijzondere opdracht in het verschiet hebben. De fabriek wordt omheind door een zeven meter hoog hek dat ‘het gebouw eerder gevangen [lijkt] te houden dan het te beschermen tegen indringers’. De ruimte valt niet zonder sleutel in te nemen ? ‘een tang die dit soort ketting kon knippen bestond gewoon niet’. Wanneer de vijf de fabriekshal binnenstappen, krijgt Karsten ‘het gevoel of ze het huis van een hogere macht hadden betreden’. AT-289 blijkt een gevaarte van drieënzestig meter lang te zijn. De vijf hebben drie weken om de ontmanteling te volbrengen. Op dag eenentwintig zou de gedemonteerde band worden opgehaald door een colonne vrachtwagens om diezelfde avond nog te worden verscheept.

Het strakke tijdschema veronderstelt een optimale verstandhouding tussen de vijf mannen, die hier voor de eerste keer samenwerken. Karsten die zich, ondanks zijn leiderschap, jong en technisch onervaren voelt tussen de andere vier, werpt meteen een zekere afstand op tegenover Antonio, Jean-Marc, Philippe en Johan. Hijzelf houdt zich bezig met de naleving van het opgestelde contract en met de controle van documenten en cijfers die zich nog in het kantoor van de directeur bevinden. De overige vier halen de machine uit elkaar. De zelfgekozen, geïsoleerde positie die Karsten daardoor inneemt, wordt ook na de dagtaak gerespecteerd. In het wat armetierige hotel waar de vijf mannen gedurende hun aanwezigheid in de vallei verblijven, zoekt Karsten meteen na het avondmaal zijn kamer op. Hij wil de dorpelingen niet schofferen door hun aanwezigheid. De andere vier slaan dat advies in de wind en kiezen er al snel voor ’s avonds het dorp in te trekken om nog wat te gaan drinken.

Karsten kan in zijn isolement het dorp niet anders zien dan badend in een vreemde atmosfeer, een waas van anders zijn. Alles is verweerd, verroest; de bakker wil geen extra brood bakken voor de tijdelijke bezoekers ? heel zijn productie is afgestemd op het kleine dorp en zijn inwoners, gedetermineerd en onveranderlijk ?; Karsten meent schimmen te zien vanachter het raam in zijn kamer; hij ziet mensen vreemde balletoefeningen uitvoeren in hun tuin… Alles benadrukt een zekere onverstaanbaarheid en vreemdheid. Ook de communicatie met zijn teamleden verloopt stroef. Zijn dagen aan het bureau brengt Karsten door in een gestructureerde leegte. Hij verlaat het kantoor niet zo vaak, bekijkt elke dag wel een stapeltje documenten, maar die arbeid lijkt in niets te vergelijken met die van de andere vier. Bovendien valt hij regelmatig in slaap, wat een aantal gênante situaties met zich meebrengt. Hij houdt zich op elk moment vast aan het contract, probeert elke mededeling, elke gebeurtenis in te passen in een rationele verklaring, die vaak overeenstemt met wat hemzelf en het contract het meeste recht aandoet.

Naarmate het verhaal zich afwikkelt, komen de scheurtjes in die zienswijze naar de oppervlakte. Wat Karsten ziet of hoort, is niet noodzakelijk wat zich afspeelt. Op een bepaald moment merkt hij bijvoorbeeld dat Antonio, Jean-Marc, Philippe en Johan ? ondanks de halsstarrige houding van de bakker ? wel degelijk brood te eten krijgen, terwijl zijn eigen lunchpakket al vanaf de eerste dag uit beschuiten bestaat. Of wordt hij geconfronteerd met boodschappen uit het dorp die via de vier mannen worden aangereikt, en meestal een verhaal vertellen dat afwijkt van de gronden van zijn eigen betoog: een dorpeling die in het begin van de missie had aangeboden om mee te werken, werd door Karsten afgewezen ? hij moest het contract naleven ?, maar keert bijna onverbiddelijk terug in de woorden van Johan, die Karsten vraagt of hij op het moment van de afwijzing in de lederen fauteuil van de directeur zat, gekleed in een pak en een stropdas. En dat hij het zo heeft begrepen dat Karsten de man, die zich had voorgesteld als ‘iemand op wie men kan rekenen’, niet te vertrouwen vond. Karsten zoekt naar redenen voor die alternatieve interpretaties. Hij heeft het zo niet bedoeld, maar het wordt wel zo begrepen. ‘Als een mantra moet hij dat zinnetje ook aan hen herhaald hebben, gesopt in de alcohol, uitentreuren.Dat hij iemand is op wie men kan rekenen. Het enige waarop de man zich kan laten voorstaan: dat hij iemand is op wie men kan rekenen.’ Het humeur van zijn teamleden is voor Karsten onvoorspelbaar. Van het ene op het andere moment en zonder aanwijsbare reden slaat hun gemoed om. Hij heeft het moeilijk met die regelmatig van toon veranderende houdingen en wisselingen van onderlinge verstandhouding en tegenstand, maar beslist uiteindelijk niet in te grijpen wanneer het de missie niet in het gedrang brengt. Dat de teamleden bepaalde fouten in zijn schoenen schuiven, ligt waarschijnlijk meer aan zijn functie dan aan zijn persoon.

In het hotel zondert Karsten zich af. Na de maalti
jd gaat hij naar zijn kamer, en ontvangt hij het kamermeisje dat zich elke avond bij hem aanbiedt. Spreken doet ze niet en eigenlijk is ze ronduit lelijk. Ondanks dat alles gaat Karsten in op haar avances, zo lijkt het. Hij wil haar nooit horen spreken, het is zijn wens dat ze geen woord zegt. Tegen het einde van de missie, hoort Karsten zijn vier teamleden spreken over het meisje. ‘Arm schaap.’ ‘Dom om zich zo te laten gebruiken.’ ‘Die man met het brilletje zei duidelijk “misbruiken”.’ ‘Niet “dom”. Misschien is zij ook wel dom, dat kan, maar mij lijkt ze vooral een beetje gebrekkig.’ Karsten reageert verontwaardigd. Hij denkt dat ze spreken over de hotelbaas, die pas dood was teruggevonden langs de kant van de weg: ‘Nog niet eens begraven, dacht Karsten, en al beoordeeld op basis van halfbegrepen woorden.’ Het komt niet in hem op dat het gesprek over hem zou kunnen gaan, dat hijzelf verkeerd begrijpt. Zijn eigen waarheid overheerst alle gissing. Karsten lijkt wel als een soort mantra voortdurend zichzelf en zijn relatie met de anderen te bevestigen, te herinterpreteren. Alles te bepalen, vast te leggen en wat nog overblijft aan onzekerheden toe te schrijven aan de, voor hem, meest waarschijnlijke en positieve gronden. Zijn functie bestaat in het nauwgezet naleven van het contract, het omgaan met wat is vastgelegd en vooraf bepaald. Dat geeft hem zijn recht van bestaan, zijn recht van aanwezigheid op de missie. Ondanks het feit dat hij eigenlijk niet nodig is voor de echte ontmanteling, ondanks het feit dat hij eigenlijk niet veel doet, ondanks de volstrekte stilte waarin zijn relatie met het kamermeisje is gedrenkt.

Op bepaalde momenten lijkt Karsten niet eens te bestaan, baadt hij in een wazige sfeer van afwezigheid en droom. Hij ziet alles in termen van beheersbaarheid. Op die manier is hij ook zelf volledig gedetermineerd. Hij kan de gebeurtenissen en houdingen in het dorp en de fabriek niet anders zien. Op dag eenentwintig blijft Karsten alleen achter in het fabrieksgebouw. Hij zit opgesloten, de sleutels zijn verdwenen. Opnieuw kan hij het aan niets anders wijten dan aan een toevallige vergissing van zijn teamleden, opnieuw houdt de wereld niets dan rede en redenen in. Zijn situatie lijkt uitzichtloos, en toch is hij enkel verheugd en ingenomen door het welslagen van de opdracht.

‘Karsten [hield] halt voor de naamloze deur op de gang. Impulsief maar vanzelfsprekend, alsof hij zich drie weken lang op dit tijdstip van de dag tot deze handeling had beperkt, omvatte zijn rechterhand de knop, en draaide eraan.’ Hij blijkt in de naamloze kamer binnen te kunnen, een kamer die hij en de vier mannen bij hun aankomst al hadden ontdekt, maar waarop geen enkele sleutel paste. Daarin vindt hij niets. Alleen hijzelf vertoeft daar met wijd opengesperde ogen in het duister.

Vrouwen en kinderen eerst is opnieuw een roman die uit een symboliek van ruimte en identiteit is opgetrokken. Net als in Blanco, waar de kamer van vader Viktor en zoon Igor hoe dan ook moet worden beschermd tegen de dreiging van de buitenwereld, en Kras, waar appartement 289 de dreiging weer in een vreemd (aan de hoofdpersonages) gebied plaatst, wordt ook in Vrouwen en kinderen eerst de dreiging niet zozeer als een eigenheid beschouwd dan wel als een vreemdheid, dat wat anders is. Hoewel die dreiging uiteindelijk wordt vertaald naar de werkelijkheid door de eigen identiteit. De rationele orde waarin de personages zich ophouden biedt een onderkomen dat te snel als stabiele, vaststaande werkelijkheid wordt beschouwd en niet als onderhevig aan veranderingen, wijzigingen en kleine scheurtjes aan de oppervlakte. Karsten houdt zich vast aan zijn contracten en cijfermateriaal; vader Viktor aan de goedheid, gezondheid van het gezin en het negatieve, zieke van de buitenwereld (Blanco); Firmin, Roger en Jozef bedenken een systeem dat hen onvermijdelijk zal moeten doen winnen bij de ‘Lottotrekking van de eeuw (Kras). Iedereen eist beheersbaarheid en vermijdt daarbij de elementen die niet onder controle zijn te krijgen: de buitenwereld. Die beheersbaarheid groeit zo uit tot een onoverwinnelijkheid. Alles kan worden bepaald, al wat er gebeurt ligt vast. Rosita spot, in Kras, met de obsessie van Roger met het lottosysteem, en doorbreekt zo het starre geloof in de voorspelbaarheid, wat ze moet bekopen met haar leven. De hoofdpersonages uit de romans van Peter Terrin missen de kracht om in te spelen op het onverwachte, om te geloven in de onvoorspelbaarheid. ‘Karsten’ (de naam, met het woord ‘kras’ erin geweven) opent elk hoofdstuk. Hij is het die kijkt, ervaart en interpreteert, vaak zonder contact. In zijn isolement bouwt hij een eigen werkelijkheid, een eigen waarheid op. Hij vertrouwt zichzelf en zijn eigen waarnemingen. De rationele orde die zich op die manier rondom hem sluit, houdt hem echter eerder gevangen dan beschermd. Net als het zeven meter hoge hek.

Op http://www.literairnederland.nl/web/book_week/viewBook.aspx?id=55 besprak Daphne de Heer al Blanco, de tweede roman van Peter Terrin.

Peter Terrin:
De code (verhalen, Uitgeverij L.J. Veen 1998)
Kras (roman, Uitgeverij L.J. Veen 2001)
Blanco (roman, Arbeiderspers 2003)
Vrouwen en kinderen eerst (roman, Arbeiderspers 2004)

Kurt Snoekx

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Literair Nederland - 10 jaar geleden

29 oktober 2007

Roman met cartoonachtige taferelen
Door Rabin Gangadin

De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol.
De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w.

Lees meer