25 oktober 2004

Verkleed als mens

Wouter van Oorschot was elf jaar toen zijn acht jaar oudere broer Guido zelfmoord pleegde. In het onlangs bij zijn eigen uitgeverij verschenen boek Verkleed als mens reconstrueert hij zijn jeugd, die in sterke mate bepaald werd door de Grote Afwezige, de ‘niet-broer’ zoals hij hem zelf noemt.  De noodzaak tot het schrijven van dit boek blijkt als hij in 1994 zijn eigen twee zoontjes samen ziet spelen, ruziemaken, het weer goed maken en verder spelen. Op dat moment realiseert hij zich dat hij zijn broer mist, of misschien beter gezegd een broer mist, want hij kent hem niet. Dan begint hij te schrijven.
Het resultaat is een fragmentarisch opgezette ‘vertelling’, een lijvig boekwerk. Met afwisselend anekdotes en herinneringen vanaf zijn vroegste jeugd, verschillende briefwisselingen (van zijn ouders, behandelend psychiaters, van hemzelf) en rapporten van de instanties die zijn blijkbaar ‘moeilijke’ broer onder hun hoede hadden. Het ego-document dat zo ontstaat is fascinerend. In een prettige afwisselende stijl (soms in een dagboekachtige staccatozinnen, dan weer verhalend en enigszins archaïsch), met voldoende humor en gevoel, doorlopen we met de auteur zijn jeugd in de jaren zestig en zeventig, waarin hem door zijn ouders Geert en Hil geen haarbreed in de weg gelegd wordt. 

Daar zat ik dan op een vroege zondagavond op mijn jongenskamer rusteloos en zeer potent platen te draaien, die me nu eens niets zeiden. Fantasio zat er niet in: morgen school, en eindexamen op til. Daar kwam het trouwens in plaats van ‘heb lief bij wie je bent schatje’ toch alleen maar neer op joints doorgeven. Op school waren de kaarten ook geschud. De paar vrienden die ik er had: spannende partners in de ontsluiering van het wereldraadsel, zeker, maar geen liefje ertussen. Het eind van mijn achttiende levensjaar kwam in zicht. Wat te doen?
In de huiskamer zat Hil aan tafel te lezen. Zij scheen niet ontevreden. Geert was er niet.     
  ‘Mam ik ga even een blokje om.’
  ‘Goed schat, tot straks.’

Wanprestaties op school, ontluikende (homo)seksuele gevoelens, actieve seksuele escapades, overmatig drugsgebruik, Bob Dylan, kraakpanden en Amsterdam, alles passeert de revue. Met op de achtergrond het constante gemis van ‘iets’, het gevoel niet compleet te zijn, de onbespreekbaarheid van de zelfmoord van de broer. Pas na de dood van beide ouders komen de eerder genoemde brieven en documenten boven water, die zo’n belangrijk bestanddeel van dit boek vormen, en kan de auteur langzaam maar zeker zijn verleden reconstrueren. En dat doet hij zeer openhartig. Wat een eenzaamheid, denk ik  bij sommige passages. Maar dan is er meteen weer Van Oorschot zelf die aan dergelijke melodramatische gevoelens een einde maakt.

Het ene moment waan je je qua sfeer in een deel van de Tandeloze Tijd van Van der Heijden, het volgende in een deel uit de privé-domein reeks. Sommige stukken zijn hilarisch, andere tenenkrommend, weer andere ontroerend. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het boek nog niet uit heb, ben net over de helft, maar ik kan me niet voorstellen dat het vervolg mij nog van mening zal doen veranderen. Het lonkt, ik ga weer lezen. Nu.

Verkleed als mens
Wouter van Oorschot
Uitgeverij G.A.van Oorschot
isbn 90 282 4026 8
€ 22,50

saskia@literairnederland.nl

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer