3 december 2007

Op zoek naar de stilte, Alex van Stipriaan

Zoeken naar de stilte in het slavernijverleden

De discussies over het slavernijverleden in Nederland worden al enkele jaren niet bepaald in stilte gevoerd. Het slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark zorgde voor heel wat opschudding, niet alleen bij de selectie van de kunstenaar maar ook tijdens de onthulling. Het NiNsee (Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis) is opgericht met de bedoeling om dit verleden te bestuderen en het aan een groter publiek te laten zien in verschillende vormen. In hun Amsterdamse ruimte heeft NiNsee nu een permanente kleine expositie en medewerkers hebben al enkele boeken gepubliceerd.

Het boek Op zoek naar de stilte dat enkele maanden geleden verscheen, stelt de vraag hoe zichtbaar de sporen van het slavernijverleden zijn in Nederland. Deze publicatie laat zien dat een kritische blik en het stellen van de juiste vragen met betrekking tot soms heel uiteenlopende voorwerpen, gebouwen en zelfs schilderijen verrassend veel kan zeggen over de slavernij. Vier wetenschappers – Alex van Stipriaan, Waldo Heilbron, Aspha Bijnaar en Valika Smeulders – die hun sporen hebben verdiend, zijn op pad geweest en presenteren hun gezamenlijke research. Aspha Bijnaar namens NiNsee, Waldo Heilbron namens Het Surinaams Museum in Amsterdam. Valika Smeulders is van de Erasmus Universiteit en is bij Alex van Stipriaan bezig met promotieonderzoek en Van Stipriaan zelf werkte mee namens de Erasmus Universiteit en het Tropenmuseum waar hij nu deeltijds zit. Smeulders en Bijnaar deden het meeste onderzoek, Van Stipriaan en Heilbron het schrijfwerk en een deel van het onderzoek. Het resultaat mag er zijn.

De publicatie begint met theoretische discussies over de vraag wat cultureel erfgoed inhoudt. Vervolgens gaan de auteurs over tot het presenteren van het resultaat van hun inventarisatie in bibliotheken, archieven en musea. Zij kijken ook naar organisaties die zich bezighouden met deze erfenis. Tenslotte worden de stilten die er zijn in het slavernijverleden, besproken. Het geheel resulteert in een handleiding voor mensen die zich willen verdiepen in dit aspect van de geschiedenis van Nederland, maar ook die van de koloniën in de West en andere delen van de wereld.

In het tweede hoofdstuk wordt stilgestaan bij het begrip ‘cultureel erfgoed’. De verschillende definities die in de loop der jaren zijn geformuleerd, geven aan dat het niet zo gemakkelijk is om te komen tot één die sluitend is en algemeen geaccepteerd. Bovendien was er eerst bijna uitsluitend aandacht voor het materiële of tastbare. Het was vooral UNESCO die meer aandacht vroeg voor het immateriële erfgoed. Voor onderzoekers, studenten en anderen die zich bezig houden met het slavernijverleden is dit laatste van belang omdat er veel informatie verborgen zit in liedjes, spreekwoorden en verhalen. Het gaat dus om niet direct tastbare vormen van erfgoed. De auteurs wijzen er op dat bij de vaststelling wat cultureel erfgoed is ‘de vrijwel onlosmakelijke koppeling ervan aan de natie en haar negentiende eeuwse ideologie van het Europese nationalisme’ plaatsvindt. Dat betekende vaak dat juist het erfgoed de kracht, beschaving en vooruitgang toonde van de eigen natie waar iedereen met de nodige trots naar kon kijken. In volkenkundige musea, die in de 19e eeuw populair werden in Europa, kon het exotische en primitieve worden tentoongesteld. Zij dienden om ‘de eigen culturele geavanceerdheid te benadrukken’ (p. 15).

Een ander aspect dat behandeld wordt in het eerste deel van het boek is de variatie in manieren van kijken. Dit is belangrijk want nu gaat het er bij onderzoek naar het slavernijverleden om op een andere manier aan te kijken tegen zaken die als bekend worden verondersteld. Een voorbeeld hiervan zijn de verschillende modellen van 17e- en 18e-eeuwse schepen die niet vertellen dat heel wat van deze vaartuigen werden gebruikt om slaven te vervoeren. Ook afbeeldingen van welgestelden uit dezelfde periode zijn minder neutraal als we weten dat zij een deel van hun kapitaal hebben kunnen verdienen met de opbrengsten van plantages in het Caribisch Gebied. Wie de arbeid daar verrichtten weten we wel. Een vraag die gesteld kan worden is hoe de stilten ontstaan in de geschiedenis en soms ook hoe die gecreëerd worden. De schrijvers wijzen erop dat het soms bewust gebeurt, delen van het historisch verhaal worden gewoon niet verteld, maar het is ook een kwestie van keuze. Je kan nu eenmaal niet alles behandelen. Het is goed om eraan herinnerd te worden dat termen niet neutraal zijn. Het gebruik ervan legt direct een stempel op wat er geschreven of verteld wordt. Kortom, het theoretisch deel van dit boek is noodzakelijk omdat het de lezer duidelijk maakt dat hij constant op zijn hoede moet zijn.

Het volgende hoofdstuk geeft de inventarisatie van traditionele bewaarinstellingen zoals musea, bibliotheken en archieven. De steden die werden gekozen zijn Amsterdam, dat veel banden had met het Caribisch Gebied en een willekeurig gekozen stad, Leeuwarden, die in eerste instantie niet zo gemakkelijk geassocieerd zou worden met het Nederlandse slavernijverleden. Bovendien kwamen de onderzoekers er niet onderuit om ook de collecties van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en het Nationaal Archief te raadplegen. KITLV heeft waarschijnlijk de belangrijkste collectie Surinamica in de wereld. Er is wel een beperking. Dit boek geeft de stand van zaken in 2002. In het huidige digitale tijdperk is een periode van vijf jaar lang. Er zijn nu betere manieren om collecties te ontsluiten en natuurlijk is men in het denken over slavernij ook niet stil blijven zitten.

De inventarisatie leverde hier en daar wat verrassingen op. Zo had De Nederlandsche Bank (DNB) in haar archief enkele stukken die over slavernij gaan. Bovendien werd een afbeelding gevonden van de weduwe van de eigenaar van het handelshuis Borski, dat betrokken was bij de slavenhandel. Johanna J. Borski-van de Velde (1764-1846) heeft het handelshuis met succes geleid na de dood van haar man. Dit is maar één voorbeeld hoe gericht zoeken onbekend materiaal boven water brengt ook bij instellingen waar je dat niet verwacht. In het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam (NSMA) dat dacht niet genoeg materiaal te bezitten om een expositie op te zetten over slavernij, werd een gastconservator met kennis over het slavernijverleden ingezet. Hij keek met heel andere ogen naar de collectie en het resultaat was een expositie met als titel ‘Slaven en schepen: enkele reis, bestemming onbekend’.

Dan heb je de amateurs die ook aardig wat kunnen vinden. Zo is er een foto van een ogenschijnlijk blanke Nederlandse familie, Verseput, die bij genealogisch onderzoek afstammelingen bleken te zijn van Elisabeth Samson (p. 48). Het verhaal van Samson is bekend dankzij de studie en de roman die Cynthia Mc Leod over deze zwarte vrouw die een witte man wilde trouwen, heeft geschreven. In Amsterdam zijn er ook de traditionele plaatsen zoals het Gemeente Archief Amsterdam (GAA) dat nu zo’n 35 kilometer materiaal, heeft waaronder duizenden foto’s, prenten en tekeningen.

In het geval van Leeuwarden stuitten de onderzoekers eerst op ‘verbaasde ontkenningen’. Toch bleek er materiaal te zijn dat herinnerde aan de slavernij. Zo stond een bericht in De Leeuwarder Courant van 25 februari 1770 dat een ‘neger’ is gedoopt die afkomstig was van Berbice (het huidige Guyana), die zich had onderscheiden bij de slavenopstand van 1763. Er werden andere sporen gevonden zoals het opvoeren van een toneelstuk over een koninklijke slaaf en een vergadering in 1858 waar er gesproken werd over de afschaffing van de slavernij. In museale collecties waren er voorwerpen die kunnen worden geplaatst in het kader van dit verleden. Stel de juiste vragen en er kan verrassend veel in Nederland worden gevonden. Dit boek is daar het bewijs van.

Alex van Stipriaan, Waldo Heilbron, Aspha Bijnaar, Valika Smeulders, Op zoek naar de stilte: Sporen van het slavernijverleden in Nederland. Leiden/Amsterdam, KITLV/NiNsee, 2007. ISBN 978 90 6718 295 9

Jerome Eggers

Jerome Egger heeft Engels en Geschiedenis gestudeerd aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL) in Paramaribo, Suriname. Hij is nu als docent verbonden aan de Anton de Kom Universiteit in Paramaribo, Suriname. Met een Fulbright beurs kon hij studeren aan de Tulane University in New Orleans, Louisiana, U.S.A., waar hij zijn Master of Arts graad in Geschiedenis behaalde. Hij publiceert regelmatig in enkele tijdschriften en in het dagblad de Ware Tijd over Surinaamse en Caribische geschiedenis en over Caribische literatuur. Hij is nog bezig met het afronden van zijn PhD aan de Florida International University in Miami, Florida, U.S.A.

Eerder gepubliceerd in de Ware Tijd-Literair op 3 november 2007.

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer