Grenzen over zee: XIXe eeuwse grenskwesties tussen Frankrijk en Nederland, Louis Sicking

In het kader van de actualiteit in deze editie van Literair Nederland een Franstalige titel, van een Nederlandse auteur. Een boek dat wellicht ook een Nederlandse vertaling verdient.

In de XIXe eeuw waren Frankrijk en Nederland twee aanzienlijke koloniale machten. De reus en de dwerg: het grote, in Europa toonaangevende, Frankrijk en het kikkerlandje aan de Noordzee dat door middel van koloniën in de Oost en de West mee wilde tellen in de grote wereld. De historicus Louis Sicking, verbonden aan de Universiteit van Leiden heeft er archiefonderzoek naar gedaan. Hij heeft zich beperkt tot drie kwesties: de verhouding tussen het Franse en Nederlandse deel van het Caraïbische eiland St Martin/St Maarten, de relatie tussen beide landen in het deel van de westkust van Afrika dat ‘goudkust’ genoemd werd en, voor ons het meest interessante gedeelte, het grensconflict over het gebied tussen Lawa en Tapanahony in het zuiden van de toenmalige Nederlandse kolonie Suriname, grenzend aan Frans-Guyana. Dit onderwerp is plotseling weer actueel geworden nu er problemen gerezen zijn tussen Frankrijk en Suriname in het gebied van de rivier de Litani.

De van huis uit Nederlandse auteur, Louis Sicking, heeft in Frankrijk en Nederland gestudeerd. Hij heeft het boek in het Frans geschreven onder de titel Frontière d’Outre-Mer. La France et les Pays-Bas dans le monde atlantique au XIXe siè. Het is in Frankrijk uitgegeven bij uitgeverij Les Indes savantes in 2006.

Saint-Martin/Sint-Maarten
Over de ontwikkelingen in verband met de slavernij op het gedeelde kleine eiland Saint-Martin/Sint-Maarten gaat het eerste deel. Het eiland werd in 1493 ontdekt door Christopher Columbus tijdens zijn tweede reis. In 1627 namen de Fransen het over van de Spanjaarden en in 1631 kwamen de Hollanders erbij. Zij bezetten het zuidelijke deel en de Fransen hielden het noordelijke. Op suikerrietplantages hadden de Europese eigenaars hun slaven. Bovendien waren er zoutmijnen in het Hollandse gedeelte. Na De verklaring van de rechten van de mens en de burger op 26 augustus 1789 (Franse Revolutie) kwamen de slaven van Saint-Dominique (nu Haïti) in opstand tegen de mening dat deze rechten niet golden voor slaven. Natuurlijk beïnvloedde dit via mofo koranti ook de slaven op de andere eilanden. Pas in 1794 werd de slavernij in alle Franse koloniën afgeschaft, een beslissing die uit Parijs kwam. Dat had ook zijn weerslag op de slaven van Sint-Maarten, maar ‘overlopen’ (vluchten) naar het Franse deel was niet zo makkelijk, omdat daar steeds minder werk was. De suikerplantages gingen achteruit en vele werden opgeheven vanwege de concurrentie van de Europese bietsuiker.

Onder Napoleon Bonaparte werd de Franse slavernij weer ingesteld. Dat ging niet van een leien dakje op de Frans-Caraïbische eilanden, waar de slaven het inmiddels onafhankelijke Haïti als een lichtend voorbeeld zagen. Op Guadeloupe bijvoorbeeld kwamen de weer tot slaaf gemaakten fel in opstand en velen vluchtten het bos in.Toch zou de definitieve afschaffing op zich laten wachten. Pas na de revolutie in Parijs van 1848 kwam het ervan. De slaveneigenaren kregen hun schadeloosstelling, maar hun problemen waren nog niet voorbij vanwege de achteruitgang van de suikerteelt. Ze wilden eigenlijk annexatie van het Nederlandse deel vanwege de mogelijkheid van zoutwinning als alternatief. Dat is er om voornamelijk financiële redenen nooit van gekomen. De Nederlandse slaven zouden vrijgekocht moeten worden; bovendien rezen er twijfels over de veelbelovendheid van de zoutmijnen. Nederland had op zich niet zoveel bezwaren tegen een voordelige annexatie. Ze wilden echter de andere Bovenwindse eilandjes ook overdragen. Sint-Maarten is nog steeds een verdeeld eiland, nu zonder zoutwinning en suikerplantages, maar met het toerisme als bron van inkomsten.

De Afrikaanse Goudkust
Op de West-Afrikaanse Goudkust (het tegenwoordige Guinee Bissau) hadden Europeanen, voornamelijk Fransen, Britten en Hollanders, een groot aantal forten en handelsvestigingen in handen. Afrikaanse intermediairs leverden goud, ivoor en slaven. De menselijke handelswaar werd naar het Caraïbisch gebied verscheept. In het tweede deel van het boek focust Sicking op dit gebied. Hij laat zien hoe de verhoudingen steeds veranderen vooral door wisselende relaties en uitwisseling van bezittingen tussen de Europeanen onderling, de Europeanen en Afrikaanse volkeren en de Afrikanen onderling.

Na het verbod op de slavenhandel in 1814 moest men overgaan tot andere activiteiten. Dat waren pogingen tot het aanleggen van koffie- en katoenplantages en goudwinning. De Nederlanders gingen soldaten onder de Afrikanen werven om dienst te doen in Oost-Indië. Vaak boterde het niet tussen de Fransen, de Britten en de Nederlanders. De Britten ergerden zich bijvoorbeeld gruwelijk aan de manier waarop de Nederlanders douanerechten en -plichten overtraden en gewoon hun gang gingen. Uiteindelijk, vooral door weinig economisch rendement, vertrokken de Fransen in 1870. De Nederlanders volgden in 1872. Nederland had al zijn koloniale aandacht en middelen nodig voor de onderhandelingen vanaf 1869 over verdragen in verband met het te openen Suez Kanaal, dat een veel snellere toegang tot Oost-Indië in het vooruitzicht stelde. Nederland stond zijn Afrikaanse bezittingen af aan de Britten en kreeg ongedeelde macht over het Indische eiland Sumatra ervoor terug. De houding van Nederland als ‘kleintje’ tussen de grote naties, was meestal gericht op voordeel zonder te veel dyugu dyugu, zo blijkt uit de beschrijvingen van Sicking. Dat is voor mij de eye-opener van het boek.

Frans-Guyana en Suriname
Bij confrontaties tussen koloniale machten gaat het altijd om economische belangen. Zo ook bij de grenskwestie tussen Frankrijk en Nederland inzake het gebied tussen Lawa en Tapanahony, tussen Frans-Guyana en Suriname. In het laatste kwart van de 19e eeuw was de goudwinning een centraal punt. Begin jaren tachtig kwamen goudzoekers in grote getale naar het gebied tussen Lawa en Tapanahony, voornamelijk Fransen die de hulp van de marrons, vooral waar het vervoer over de rivier betreft, hard nodig hadden. De marrons vormden het sterke punt van Suriname. In Frans-Guyana waren er nauwelijks. Doordat de Boni zich verraden voelden door de Ndyuka, die hadden samengespannen met de Nederlandse vijand tijdens hun legendarische strijd voor vrijheid, voelden ze zich meer aangetrokken tot het Franse gebied. Ze verleenden met hun korjalen diensten voor de Fransen op de Marowijnerivier. De Nederlanders probeerden de Ndyuka zover te krijgen dat ze gingen concurreren met de Boni. Al in 1860 had de Nederlandse gouverneur Van Lansberge een gesprek met granman Byman van de Ndyuka om hem over te halen tot bereidwilligheid tot samenwerking met de Fransen en de Boni. Ze zouden dan als vrije mensen de rivier kunnen bevaren. Granman Byman reageerde met de onsterfelijke woorden: ‘Dan moeten de Nederlanders ook hun slaven vrijlaten.’

In de tachtiger jaren van de 19e eeuw kwamen er steeds meer goudzoekers naar het gebied. Het ging toen spannen tussen Fransen en Nederlanders en om tot een beslissing van de grenskwestie te komen werd de ‘Tsaar aller Russen’ gevraagd om in het geschil te bemiddelen. Het duurde tot 1891 tot hij eindelijk advies gaf. De Lawa zou de grensrivier worden op voorwaarde dat de Fransen hun goudconcessies konden behouden. Binnen de mondiale koloniale verhoudingen waren zulke conflicten in die tijd geen uitzonderingen. Ze hoorden bij het 19e eeuwse imperialisme.

Louis Sicking heeft zijn onderzoeksresultaten nauwgezet, met veel details en uitgebreide vermelding van schriftelijke bronnen uitgewerkt. Voor historici is er ‘une mer à boire’, een zee om uit te drinken. Het toeval wil dat dit artikel verschijnt op 14 juli 2007, ‘quatorze juillet’, herdenking van de Franse Revolutie. De verhoudingen liggen nu anders: ‘Guyane’ is nog steeds Frans en Suriname is een onafhankelijke staat, een zelfstandige partner in de oplossing van de huidige Litani-kwestie, die gaat om bescherming van de natuur versus jacht. Noot: Twee prachtige romans zijn er over twee van de door Sicking behandelde periodes: van André Schwarz-Bart Mulattin Solitude (Ned. vert. 2002) over een wonderlijk mulattin op Guadeloupe tijdens de periode van slavernij af en aan, en van Arthur Japin De zwarte met het witte hart (1997) over twee Afrikaanse prinsjes die aan de Nederlandse koning geschonken werden in de tijd van illegale slavenhandel rond 1836 en hoe hun leven verder verloopt.

Louis Sicking, Frontières d’Outre-Mer. La France et les Pays-Bas dans le monde atlantique au XIXe siècle. Paris, Les Indes savantes, 2006. ISBN 2846541485

Els Moors

Eerder verschenen in de Ware Tijd-Literair, op 14 juli 2007. Els Moor is hoofdredacteur van dWT-L, de literaire pagina van Surinames grootste dagblad de Ware Tijd. Zij is meer dan twintig jaar aan de kweekschool verbonden geweest. Voor het literatuuronderwijs werkte ze mee aan de methode Fa yu e tron leisibakru(Hoe je een leesgek wordt).

Recent

19 september 2018

Omdenken in optima forma

Literair Nederland - 10 jaar geleden

03 oktober 2008

Niet overtuigend maar wel sterk in het laatste deel
Recensie door Menno Hartman

Coen Peppelenbos debuteerde onlangs met de roman Victorie, een roman in drie delen. In het eerste deel wordt Merijn – broer van de hoofdpersoon – gevolgd nadat bekend is geworden dat de hoofdpersoon, Victor, dood is.

Het tweede deel van de roman gaat over Sarah. We volgen er de gedachten van een leraar Engels, die in zijn huis dit meisje vasthoudt, het vriendinnetje van Merijn en waarin duidelijk wordt dat deze Ten Haaf, Merijn gedood heeft door een grote steen naar hem te gooien, nadat hij hem met een camera had gezien.

Lees meer