Samensteller: Chrétien Breukers – 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005

Moderne poëzie als baken tegen de moderniteit

Vorig jaar verscheen van Thomas Vaessens een studie naar het poëtische klimaat van de meest recente periode, Ongerijmd succes. Poëzie in een onpoëtische tijd. Hoewel het in dat boek niet om de poëzie, maar om haar voorwaarden en omstandigheden ging, leek Vaessens het onpoëtische van onze tijd ook in de opzet van zijn boek uit te drukken door er maar één gedicht in op te nemen. Nu Chrétien Breukers uit de poëzie van dezelfde periode een dikke bloemlezing heeft samengesteld, maakt dat dan ook een polemische indruk: zo onpoëtisch is deze tijd kennelijk niet. En wanneer we vervolgens bedenken dat Breukers moderator is van het weblog De Contrabas, de dorpspomp van het door Vaessens beschreven veld, dan lijken beide heren en hun boeken zich om zo te zeggen chiastisch tot elkaar te verhouden: waar de man van wetenschap op het onpoëtische karakter van het huidige veld wijst, daar trakteert een van de voornaamste exponenten van dat veld ons op een dikke verzameling van de meest actuele poëzie. Daarmee is het verhaal van de recente periode in onze poëzie nu althans formeel gezien compleet: we kunnen nu met beide boeken de werkelijkheid én de poëzie van vandaag te lijf.

Breukers heeft, net als Komrij en de Spiegel der Nederlandse poëzie voor hem, voor zijn bloemlezing uit de hele Nederlandstalige poëzieproductie geput, dus in principe zonder acht te slaan op bepaalde vormen van poëziebeoefening. Om die reden heeft hij zichzelf een tijdgrens opgelegd, en deze vastgesteld tussen de jaartallen 1980-2005. Zelf legitimeert hij die periode doordat zij aansluit op het jaar 1979, waarin de eerste editie van Komrij’s bloemlezing verscheen. Dat is een niet erg steekhoudend argument, want Komrij heeft zijn bloemlezing bij elke nieuwe editie bijgewerkt, waardoor hij het hem gestelde natuurlijke grensjaar 1980 al ruimschoots heeft overschreden. Het betekent ook dat hij al in een deel van de taak die Breukers zich stelde, heeft voorzien. Omgekeerd heeft Breukers het zichzelf en de poëzie niet toegestaan om dat grensjaar ook maar met een halve seconde te overschrijden, en bovendien heeft hij zich beperkt tot het werk van dichters die in de genoemde periode debuteerden. Daardoor ontbreekt er niet alleen een hoop belangrijke poëzie, maar is ook het beeld van die periode incompleet. Zo beleefde de poëzie in 1981 juist de wederkomst van Lucebert, die, hoewel dezelfde gebleven, na twintig jaar zwijgen toch andere poëzie ging schrijven dan tijdens de periode waarvan men hem Keizer noemde. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor het werk van vooraanstaande dichters als Kouwenaar, Faverey, Ouwens, enz., van wie het werk uit die tijd, hoe men zich ook wendt of keert, ook in dat tijdvak is gesitueerd en er uitdrukking aan geeft. Anders dan Vaessens heeft Breukers door zijn keuze kennelijk geen beeld van een tijd willen geven, en daardoor is aan de bloemlezing de kans ontnomen zichzelf op dit punt te legitimeren: de grondslag van de tijd ontbreekt voor een belangrijk deel; het is of de gedichten in isolement van hun tijd en van elkaar zijn ontstaan. De conclusie moet dan luiden dat poëzie en de werkelijkheid voor Breukers twee gescheiden werelden zijn, en dat is in verband met juist deze poëzie in meer dan één opzicht opmerkelijk.

Bij kritiek op het ontbreken van onderlinge samenhang wordt vaak, en ook door Breukers, gewezen op de rijkdom van het materiaal zelf, waarvan het veelsoortige karakter verloren zou gaan wanneer men daarin al te naarstig op zoek zou gaan naar lijnen, relaties en verbanden. Als hoofdkenmerk van de poëzie uit de door hem gebloemleesde periode noemt Breukers dan ook die veelzijdigheid, en hij wijst daarbij op de doodgeboren kindjes van de laatste avant-gardes die zijn periode inleidden: de Nieuwe Wilden en Maximaal. Het is alsof die veelzijdigheid zelf hem ontslaat van de taak haar te verklaren: er is eenvoudig geen beginnen aan. Bijgevolg is poëzie ‘een zaak van individuele dichters’ zoals hij in zijn voorwoord zegt, die vooral niet tot groepen, stromingen of bewegingen mogen worden gereduceerd. Dat is een postmodern, eclectisch standpunt, waarbij men zich voor de onderhavige poëzie gemakkelijk zou kunnen beroepen op het uitgebreide, nevengeschikte universum van Arjen Duinker, de knip- en plaktechniek van Dirk van Bastelaere, de wisselende registers van Kurt de Boodt, de recapitulerende poëzie van Ilja Leonard Pfeijffer of de wezenloosheid van Bart FM Droog – om een paar dichters te noemen met wie Breukers in zijn voorwoord de veelzijdigheid van de periode aanschouwelijk wil maken.

Maar het is ook een bij uitstek anti-intellectualistische positie, die een onderzoek naar de voorwaarden van deze poëzie, haar verklaringsgronden, haar ‘ontologie’, kortweg het deel Vaessens, brutaalweg opoffert aan de retoriek van de eigen smaak, die zichzelf vanzelfsprekend niet hoeft te legitimeren. Zulk anti-intellectualisme bevordert daardoor een opvatting van poëzie als pure esthetiek, waarin de conflicten die haar in het leven riepen worden gesmoord. Poëzie niet als bestaanswijze, maar als vluchtheuvel.

Breukers staat dan ook een poëzie voor die ‘klinkt als een klok en staat als een huis (…). Het ontregelen van de lezer, in sommige theorieën voorschrift, zie ik eerder als zinloze pesterij dan als toegevoegde waarde’, zegt hij. Of er theorieën bestaan die ontregeling voorschrijven weet ik niet, maar Breukers ontkomt er niet aan om Tonnus Oosterhoff, kampioen van de hedendaagse poëzie maar óók kampioen van de ontregeling en schrijver van de regel ‘Toe breek mijn huis af’, het volle pond van zes gedichten toe te kennen. Hier blijkt de betrekkelijkheid van het smaakoordeel van de bloemlezer, en wordt duidelijk dat Breukers’ expliciet beleden anti-intellectualisme in dienst staat van het eclecticisme dat hem zijn arbeid als bloemlezer pas mogelijk maakt. Ideologische en programmatische verschillen dienen daartoe eerst te worden geneutraliseerd; pas daarna kan dan (met behulp van het systeem van nul tot zes gedichten per dichter) een waardering op basis van het smaakoordeel worden gegeven. Alleen heeft dat dan geen betrekking meer op het object van die poëzie, de ideologische bestaansvoorwaarde ervan, maar alleen nog op de vormgeving ervan, de eerder genoemde esthetiek – die daarmee met een overmaat aan ideologie wordt geladen: ze houdt buiten de deur wat haar niet welgevallig is.

Bij de verschijning van overzichtswerken als deze doet zich een merkwaardig fenomeen voor: men vraagt niet naar het eigen, specifieke karakter van de bloemlezing, maar gaat meteen na wat de overeenkomsten zijn met ándere overzichtswerken. Op basis daarvan wordt dan besloten tot het canonvormende vermogen ervan, – waarbij er dus van wordt uitgegaan dat de al bestaande werken wél een canon vertegenwoordigen, terwijl die dat natuurlijk alleen maar kunnen doen bij gebrek aan concurrentie. De vraag naar een canon wijst op een idealistisch streven naar een synthese, dat wil zeggen naar een eindpunt, terwijl bloemlezingen als deze primair een inleidende, verwijzende functie hebben: de lezer, wanneer hij geen beroepslezer is, wordt immers aan een dichterkeur voorgesteld. Maar terwijl het hele veld over elkaar heen buitelt en er de meest barokke formules worden opgesteld om tot een norm voor het enige ware, goede en schone te komen, blijft onduidelijk waarop die absolute norm berust. Cijferkunst als poëziekritiek.

Breukers, die in de titel van zijn bloemlezing naar Komrij verwijst en zijn werk uitdrukkelijk op het zijne wil laten aansluiten, doet geen poging zich aan dit spel te onttrekken; zonder meer is het zijn ambitie poortwachter te zijn van een – de actualiteit van het materiaal in aanmerking genomen – instant-pantheon. Natuurlijk zou van een norm door het gebrek aan afstand in de tijd niet al te veel verwacht kunnen word
en, en anders dan Komrij en de Spiegel moet Breukers’ overzicht het stellen zonder een geschiedenis, waarvan hij een of meer lijnen zou kunnen doortrekken. Bovendien wordt de toepassing van zo’n norm, als die er al zou zijn, bepaald door de omvang van de bloemlezing, en in dat opzicht is de bijnaam ‘Vette Breukers’ misleidend, want wat voor de man geldt, geldt niet voor zijn boek: hoe vetter immers de bloemlezing, hoe minder Breukers we krijgen. Ten slotte staat ook zijn ideologisch neutrale benadering – die niet neutraal is, maar daarover straks – een normerend criterium in de weg. Het gevolg van een en ander is dat de canon die hij ons wil presenteren alleen maar in sociologische termen gevat kan worden.

Op een aantal punten onderscheidt zijn bloemlezing zich duidelijk van Komrij en de Spiegel. Zo is het aandeel Vlamingen en Friezen bij Breukers aanzienlijk hoger dan bij de andere twee, waarbij nog opgemerkt kan worden dat Breukers als redacteur van de Contrabasreeks Friese dichters ook ruim de kans geeft. Maar het meest positief onderscheidende kenmerk van deze bloemlezing, waar hij zelf niet op wijst, is dat ze behalve uit bundels en tijdschriften ook uit een nieuwe bron put: die van het internet. Dat pleit zeer voor Breukers als ambassadeur van die poëzie (en natuurlijk voor de Nijmeegse uitgeverij BnM, die ook de Contrabasreeks onder haar hoede genomen heeft). Deze dichters, waarvan nog geen bundel is verschenen en die mogelijk ook in tijdschriften nog niet zijn gepubliceerd, zijn met deze bloemlezing praktisch en formeel gesproken in één klap gecanoniseerd. Breukers draagt daarmee bij aan de verdere ontwikkeling van wat door Vaessens als een van de fundamentele veranderingen van het literaire veld is aangemerkt: de herschikking van de literaire boven- en onderwereld – met het internet als spreekwoordelijke krocht van de laatste. Wat we hier kortom zien is dat iemand die zichzelf op het internet een podium heeft verschaft – het Contrabasweblog – nu dankzij het daar verworven symbolisch kapitaal (Bourdieu) de poëzie die op dat medium verschijnt zelf heeft weten te consacreren (opnieuw Bourdieu).

In dit opzicht is de bloemlezing een exponent van zijn tijd, en lijkt de gekozen periode zich althans hierin te kunnen legitimeren. Maar zoals gezegd, Breukers is daar niet op uit, en voor het subversieve karakter van deze gang van zaken lijkt hij zich niet te interesseren. Zijn ideologisch neutrale houding – ‘er zijn alleen individuele dichters’ – verhindert hem in te zien dat dichters weliswaar niet meer op basis van ideologische tegenstellingen tegenover elkaar staan, maar wel op basis van sociaal ongelijkwaardige posities. Er zijn dus nog wel degelijk stromingen en bewegingen, en het geval wil dat Breukers aan dit sociologische machtsspel van in- en uitsluiting met zijn bloemlezing een flinke bijdrage levert.

Zo komt een andere door Vaessens gesignaleerde ontwikkeling, die van de podium- of slampoëzie – en daarmee de devaluatie van poëzie op papier – in de bloemlezing nauwelijks aan bod. Reden: Breukers houdt er niet van. ‘Ik vat poëzie op als een kunstvorm die het best gedijt op papier. Gemakkelijke, snel in elkaar geflanste woordreeksen, vaak voorzien van enige grove effecten, heb ik buiten beschouwing gelaten’. Dat is natuurlijk zijn goed recht, maar het komt mij voor dat zijn uitsluiting van een centrale figuur als de slampoëet Serge van Duijnhoven, die in Vaessens’ boek een hoofdrol speelt, niet op dezelfde manier kan worden begrepen als Komrij’s negatieve herwaardering van een aantal Vijftigers destijds. Ten eerste sloot Komrij de Vijftigers niet volledig uit; Lucebert bedeelde hij zelfs met het maximum aantal. Maar hij meende dat de balans van de waardering van hun poëzie te ver was doorgeschoten in vergelijking met de in zijn ogen werkelijke betekenis van de Vijftigers. Daarmee pleegde hij een correctie op de canon, maar zonder met zijn smaakoordeel het zicht op de wording van het literaire veld (laatste maal Bourdieu) te belemmeren. In zijn voorwoord schreef Komrij dan ook: ‘Ik heb steeds geprobeerd gedichten op te nemen die, naast hun kwaliteit, typerend waren voor een bepaalde economische of technische ontwikkeling, voor de omstandigheden in een bepaald tijdperk, “tijdsbeelden” dus. Poëzie staat niet boven de tijd, zij geeft daar uitdrukking aan’.

Dit is het fundamentele manco van Breukers’ bloemlezing. Hij heeft met zijn bloemlezing, hoezeer ook afgepaald tussen stringente tijdsgrenzen, geen tijdsbeeld willen presenteren. Hij heeft dan ook niet hetzelfde op het oog gehad als Ruben van Gogh destijds met zijn bloemlezing Sprong naar de sterren (1999), waarin deze een nieuwe generatie dichters in zijn inleiding wél van een gemeenschappelijk poëticaal kenmerk voorzag (‘gebeurende poëzie’). Ook hierin wreekt zich Breukers’ schijnbaar neutrale positie: door het debuut-criterium gaat het in zijn bloemlezing eveneens om een generatie, maar waar die generatie zich mee bezig heeft gehouden, mag verder geen rol spelen. Dat zou hem immers tot een keuze hebben gedwongen, waardoor hij zijn aanspraken op die vermaledijde canon op had moeten geven. Het averechtse gevolg van dit anti-intellectualisme is dat hij zich alleen nog op zijn smaak kan verlaten – maar daarmee maakt men geen canon. Er is op het moment bepaald geen sprake van een overwaardering van slampoëzie, eerder integendeel. Een correctie daarop was dan ook niet nodig geweest. Zij hadden, wanneer ook Breukers een tijdsbeeld had willen presenteren, en niet alleen maar een beeld van zichzelf, volop in zijn bloemlezing vertegenwoordigd moeten zijn. Dan had men kunnen zeggen: dit is de nieuwe poëzie; weg met de oude (tot nader order)!

Een en ander betekent dat Vaessens in Breukers geen handlanger vindt. Hij lijkt er met deze bloemlezing op uit te zijn geweest om de overwegend postmoderne poëzie van de afgelopen periode los te koppelen van de wereldse inbedding die ze volgens Dirk van Bastelaere zoekt. In zijn voorwoord gewaagt hij van ‘de snelheid van de ontwikkelingen op allerlei gebied’ en van de behoefte ‘uitgebreid stil te staan bij wat er is geschreven’. Immers: ‘poëzie is een genre waar je geduld voor moet hebben’. Ziedaar het uiteindelijke motief van zijn anti-intellectualisme en van de hele onderneming: het is één poging om de stroom te keren. Zijn bloemlezing is wat betreft opzet, selectiecriteria en pretentie een monument van conservatisme, van verzet tegen de tijd. Dat is een onverwachte constatering voor iemand die als redacteur van de Contrabasreeks en van het gelijknamige weblog vooraan staat bij de huidige ontwikkelingen. Aan de andere kant moet het ook niet worden overdreven: de gedichten zelf zijn er ook nog, 666 en nog wat in totaal. Het is Breukers’ verdienste dat hij het geduld waartoe hij oproept níet heeft willen opbrengen voor deze poëzie, die van het internet in het bijzonder, om ons te trakteren op het grootste en meest complete overzicht van de poëzie in deze onzekere tijden, – al is het duidelijk dat deze poëzie voor hemzelf een baken is tegen de moderniteit die ze uitdrukt.

 

 

Omslag 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005 - Samensteller: Chrétien Breukers
25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005
Samensteller: Chrétien Breukers
in 666 en een stuk of wat gedichten
Verschenen bij: Bnm uitgevers
ISBN: 9789077907207
455 pagina's
Prijs: € 18,00

Recent

22 juni 2018

Een bijzondere mengeling van absurditeit, humor en mystiek

Over 'Flesjes knallen' van Yu Hua
21 juni 2018

Mild vernisje over het schrijnende bestaan

Over 'De gulheid van de zeemeermin' van Denis Johnson
20 juni 2018

Joke van Leeuwen over de zin en onzin van het sluiten van grenzen

Over 'Hier' van Joke van Leeuwen
19 juni 2018

De verdediging van een wingewest

Over 'Koloniale oorlogen in Indonesië' van Piet Hagen
18 juni 2018

Gezin gezien door de ogen van de jongste zoon

Over 'Daal neder, engel' van Thomas Wolfe

Verwant