2 oktober 2006

Lodewijk Van Deyssel

De schrijversloopbaan van Lodewijk van Deyssel (pseudoniem van Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm, 1864-1952) eindigde eigenlijk pas in september 2006, toen Harry G.M. Prick overleed. In de halve eeuw na Van Deyssels dood, zorgde Prick ervoor dat er meer boeken met ongepubliceerde stukken, 
tijdschriftartikelen, briefwisselingen en herziene herdrukken van deze Tachtiger verschenen, dan van menige levende schrijver. Daarnaast vereeuwigde hij Van Deyssel in een monumentale biografie, die twee dikke boekdelen van samen 2500 pagina’s beslaat.  

In deel één, ‘In De Zekerheid Van Eigen Heerlijkheid’, volgt de lezer het opgroeien van een rebels wonderkind. Als zoon van de katholieke schrijver en uitgever Jozef Alberdingk Thijm kreeg hij als 16 jarige al de kans om te debuteren in pa’s tijdschrift Dietsche Warande, onder het pseudoniem Lod.
Van Deyssel, met een artikel van 34 pagina’s over ‘De eer der Fransche Meesters’. In de rest van zijn tienerjaren publiceerde hij stapels ophefmakende en baanbrekende bijdragen over ondermeer toneel en Franse literatuur in toonaangevende tijdschriften als De Amsterdammer. Midden jaren
’80 vond hij aansluiting bij andere literair-revolutionaire jongeren en werd medewerker van De Nieuwe Gids, de spreekbuis van de Tachtigers. Daar krijgt deze gedetailleerde biografie een extra waarde: Via het netwerk van Van Deyssel tekent Prick de sfeer onder schrijvers, schilders en politici in Amsterdam en het Gooi, bij wie een Nieuwe Tijd broeide. Zo geeft Prick een onovertroffen inkijk in de Nederlandse cultuur tijdens het 19de-eeuwse fin de siècle, een tijdperk waarover hij zijn onbegrensde eruditie bewijst, op bladzijdes die per stuk meer noten bevatten dan de modale hazelaar in de herfst. De wonderlijke literaire prestatie van Prick is, dat hij er in slaagt om constant een overdosis informatie te geven, terwijl de
biografie toch steeds verslavend soepel leesbaar blijft.

Van Deyssel bereikte zijn artistieke hoogtepunt met zijn literaire kritieken rond 1890. Daarin verhief hij schelden tot kunst: Om zijn superioriteit ten opzichte van vroegere generaties te bewijzen, vond hij het stilistisch formuleren van die scheldkanonnades belangrijker dan het feitelijk argumenteren tegen al die minderwaardige boeken en auteurs die aan hem ten prooi vielen. Met dit literaire Shock & Awe-bombardement in dienst van de generatie van Tachtig, ploegde hij het Nederlandse literaire landschap om en besproeide het met een bloedbad van letterkundige reputaties.

De Tachtigers hadden zichzelf aangekondigd als een bij voorbaat legendarische stroming, die in de wereldliteratuur als het ware slechts te vergelijken was met de Griekse Klassieken. Daarbij had Willem Kloos de grootste dichter en Van Deyssel de keizer van het proza moeten worden. Na de scheldkritieken van Van Deyssel en de meer beargumenteerde, maar nauwelijks minder harde kritieken van Kloos, werd het hoog tijd om zichzelf te bewijzen. Dit werd een pijnlijk breekpunt.

Kloos had zijn dichterschap te diep ondergedompeld in alcohol. Als iemand een boek over Kloos’ leven in de laatste jaren van de 19de eeuw zou publiceren, dan zou dat perfecte propaganda zijn voor een campagne onder het motto: ‘drank maakt meer kapot dan je lief is’. Na een reeks deliriums zouden zijn geestelijke vermogens, af te lezen aan het vele onleesbare werk dat hij daarna publiceerde, nooit meer helemaal in orde komen.

Ook Van Deyssel bleek tijdens de revolutie van Tachtig zijn belangrijkste geestelijke munitie al te hebben verschoten. Zijn eigen kunstwerken zouden nooit z’n kritieken overtreffen. Hoewel hij nog maar weinig publiceerde, zou hij de rest van z’n leven heel veel blijven schrijven. Zo vond Prick in zijn nalatenschap talloze dagboeken, waarin Van Deyssel gedetailleerd verslag deed van bijvoorbeeld zijn strijd tegen zijn masturbatieverslaving, of tegen de vliegen in zijn werkkamer. Van Deyssel werkte met die aantekeningen aan een handleiding voor zijn eigen leven, om ooit weer in de juiste stemming te komen om een meesterwerk af te leveren. Hij zou hier nooit in slagen. Daarom bestaat deel twee van de biografie,
‘Een Vreemdeling Op De Wegen’, vooral uit verhalen over het voortsukkelen van het voormalige wonderkind. Geheel in de geest van Van Deyssel verliest Prick zich in dit boek vaak in eindeloze uitweidingen over details. Toch fascineert ook dit deel van het levensverhaal mateloos. Al was het maar omdat de dandy-in-het-kwadraat Van Deyssel als mens al zo’n opzienbarend fenomeen was, dat zelfs als hij nooit een zin op papier had geschreven, hij al een levend kunstwerk was geweest en een biografie waard.

Van Deyssel werd, net als Kloos, in latere jaren volop geëerd en gevierd voor zijn rol in de revolutie van Tachtig, door allerlei aanbidders. Die vergaten in hun lofredes voor het gemak, dat beiden hun literaire belofte, waarvoor ze die revolutie begonnen waren, daarna eigenlijk nooit waar hadden gemaakt.
Die overschatting tijdens hun leven, heeft postuum hun reputaties zwaar beschadigd. Als ze later nog herinnerd werden, dan was dit meestal slechts als stof voor parodie. Hoewel dit een logische reactie was op hun verprutste talent en zelfoverschatting, was het feitelijk onrechtvaardig: Hoe weinig Nederlandse schrijvers kunnen immers werk voorleggen, dat het meesterlijke niveau van het jeugdwerk van Kloos en Van Deyssel evenaart?

Gelukkig had Van Deyssel zijn nalatenschap zo geregisseerd, dat in de loop der jaren een advocaat voor hem opgroeide, die voldoende tegengif in het literaire debat kon brengen, om zijn reputatie alsnog te rehabiliteren. In de jaren ’40, toen hij de laatste overlevende Tachtiger was, had Van Deyssel namelijk de pas 18 jarige Harry G.M. Prick benoemd tot zijn toekomstige biograaf. Na Van Deyssel’s overlijden kwam Prick in het bezit van een gigantische literaire goudmijn: talloze kisten vol met beschreven papier,
die het geheime schaduw-oeuvre van Van Deyssel bleken te vormen. Het was Pricks bron voor de postume Van Deyssel-publicaties, maar ook voor talloze artikelen over hem, voor een proefschrift waarmee hij cum laude promoveerde en bovenal natuurlijk voor zijn monumentale tweedelige biografie. De ironie hiervan is, dat de grootste stilist uit de Nederlandstalige literatuur, meer dan dankzij z’n eigen boeken, voort zal
leven in een verhaal dat hij niet zelf heeft opgetekend: Zijn levensverhaal. Dat lot had hij waarschijnlijk zonder Prick ook gehad, maar dan op een iets minder eervolle manier, namelijk in Vincent Haman, de parodistische sleutelroman die Willem Paap over hem schreef. Dat boek is nog altijd bruikbaar als een hilarische inleiding voor iedereen die durft te twijfelen, of het fenomeen Lodewijk Van Deyssel wel interessant genoeg is om 2500 pagina’s biografie over te lezen. Het antwoord kan volgens mij voor iedereen die van Nederlandse literatuur houdt en interesse heeft in de Tachtigers of het Fin de Siècle, alleen maar luiden: JA!

In de zekerheid van eigen heerlijkheid – Het leven van Lodewijk van Deyssel
tot 1890

Harry G.M. Prick
Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep
ISBN 9025341934

Een vreemdeling op de wegen – Het leven van Lodewijk van Deyssel vanaf 1890

Harry G.M. Prick
Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep
ISBN: 902534187X

Rob de Haan

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer