9 augustus 2004

Johan Daisne

Johan Daisne staat bekend als degene die met werken als De trap van steen en wolken, De man die zijn haar kort liet knippen en De trein der traagheid de term magisch-realisme in de Nederlands(talige) literatuur introduceerde. Hij was ook econoom, slavist, filmkenner, leraar, redacteur en gedurende het grootste deel van zijn leven bibliothecaris. Maar vooral was hij een veelschrijver die alle genres beoefende: poëzie, essayïstiek, verhalend proza, toneel, filmkritieken- en scenario’s, journalistieke reportages en hoorspelen.

Johan Daisne wordt als Herman Thiery geboren in Gent in 1912 in een onderwijzersgezin. Zijn vader was een aanhanger van Tolstojs leer en studeerde Russisch om de meester in het origineel te kunnen lezen. Naast een afbeelding van Christus hingen thuis de portretten van Tolstoj en andere Russische schrijvers aan de muur. Als kind leest Daisne naast spannende boeken (Buffalo Bill, Nick Carter, Gustave Aimard) ook meisjesboeken (Top Naeff, Tine van Berken): om boeken te kunnen kopen verkoopt hij Nederlandse en Franse opstellen aan zijn klasgenoten. De familie bezoekt de zondagse opera, waar Daisne zich doorgaans verveelt. Hij ziet meer in avontuurlijke films als The mark of Zorro en schrijft daar stukjes over (‘filmatiekjes’). Vooral de vragen of de held goed of slecht en het verhaal waar gebeurd is, houden hem daarin bezig. Hij verzamelt van alles wat op film betrekking heeft, knipsels, foto’s en affiches.

Daisne is een ijverig baasje. Op school – hij doet atheneum – is hij steeds nummer één van de klas. Hij is blijkbaar zo ijverig dat hij tegen het eind van zijn schooltijd overwerkt raakt en er een half jaar tussenuit moet. In die periode werkt hij als jongste bediende in een textielfabriek en bereidt zich voor op het toelatingsexamen voor de universiteit.

Van 1930 tot 1935 studeert Daisne naast economie ook talen (Russisch, Tsjechisch, Spaans, Bantoe en Zweeds) in Gent. Na zijn afstuderen gaat hij in dienst. Hij gebruikt de twee jaar van zijn dienstplicht goed door aan zijn proefschrift (over wijsgerige waarden in de economie) te werken. Zijn afleiding: de wekelijkse bioscoop in Antwerpen op zondagavond. In 1936 promoveert hij.

In kranten en tijdschriften verschijnen in die tijd al romantisch getinte verzen van zijn eigen hand naast vertalingen uit het Russisch (Poesjkin), onder het pseudoniem Johan Daisne. Zijn pseudoniem leidde hij af van het Franse departement Aisne, de geboorteplaats van Jean de Chateau-Thiery, een adellijke voorvader van zijn vaders kant.

Een studiereis naar de USSR als secretaris-tolk van Nobelprijswinnaar Jules Bordet levert de reportage Stof op het Kremlin (1935) op. Eind 1935 verschijnt Daisnes eerste bundel Verzen.

Na zijn diensttijd werkt hij even als surveillant bij het atheneum in Gent en daarna bij de Landsbond der Bouwbedrijven, als adjunct-directeur. Daarnaast werkt hij als leraar Duits aan de meisjeskweekschool in Gent en docent Nederlands aan het Instituut voor Sociale Studie in Brussel.

In 1939 wordt hij opgeroepen voor actieve dienst. De oorlog maakt hij mee in België en later in Frankrijk, waar hij het verhaal Aurora (1940) schrijft. Tegen het einde van de bezetting duikt hij onder.

Hij trouwt in 1944 met Polly van Dyck. Hun eerste kind, een dochtertje, overlijdt kort na de geboorte. Deze gebeurtenis tekent Daisne voor de rest van zijn leven. Hij wijdt een verzenbundel Ikonakind (1946) aan zijn overleden kind. Het jaar daarop krijgt het echtpaar een zoontje, maar het huwelijk strandt toch. Daisne hertrouwt in 1957 met Marthe Kinaupenne.

Na de bevrijding wordt hij hoofdbibliothecaris van de Gentse stadsbibliotheek en blijft daarnaast lesgeven. Hij schrijft reportages naar aanleiding van bezoeken aan na-oorlogs Nederland (De Hollandse reis, 1947) en Duitsland (Reisebilder, 1948) en het Poolse vredescongres in Wroclaw (De vrede van Wroclaw, 1948), waar hij onder meer Ehrenburg, Fadeev, Picasso, en Julian Huxley ontmoet.

Al die tijd blijft Daisne schrijven: naast zijn werk en gedurende de oorlog. In 1939 verschijnt voor het eerst verhalend proza van zijn hand, een novelle: Gojim. Zijn eerste roman De trap van steen en wolken verschijnt in 1942. Het werk baart opzien doordat het zich beweegt op de grens van droom en werkelijkheid, waarmee het afwijkt van wat op dat moment gangbaar is. Daisne geeft het de term magisch-realistisch mee en werkt dit (overigens niet nieuwe) begrip later uit in Letterkunde en Magie (1958). Als buitenlandse voorbeelden van dit genre noemde hij The picture of Dorian Gray (1891) en The strange case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde (1886).

Naast reportages schrijft hij hoorspelen, filmscenario’s en enkele toneelstukken. Voor Het zwaard van Tristan, deel II van zijn toneeltrilogie De liefde is een schepping van vergoding krijgt hij in 1946 de driejaarlijkse staatsprijs. Hij is medeoprichter van het poëzietijdschrift Klaver(en)drie en redacteur van Werk en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Verder schrijft hij maandelijkse filmkritieken voor Periscoop en bekleedt een bestuursfunctie bij het Koninklijk Belgisch Filmarchief.

Eind 1947 verschijnt zijn bekendste roman De man die zijn haar kort liet knippen, de biecht van de gekwelde ex-leraar Miereveld die zijn vroegere leerlinge Fran doodt (of meent gedood te hebben). Het boek wordt in 1951 bekroond met de A. Beernaertprijs van de Koninklijke Vlaamse Academie en in 1965 verfilmd door André Delvaux.

Ook de novelle De trein der traagheid (1950), door sommigen gezien als Daisnes beste werk, wordt door Delvaux verfilmd. In De trein der traagheid bevindt de verteller, een leraar, zich tot zijn bevreemding in een trein vol slapende mensen. De enige andere niet-slapers in de trein zijn een student en een professor. De trein stopt en de student stapt uit. De verteller en de professor volgen. De sfeer in het verhaal wordt steeds beklemmender tot de ontknoping, wanneer blijkt dat de trein een ongeluk heeft gehad en de drie zich in het gebied tussen leven en dood bevonden.

In 1951 wordt Daisne zwaar ziek. Hij heeft zich opnieuw overwerkt. Het overlijden van zijn vader draagt bij aan zijn depressie.

Het schrijven heeft in de loop der jaren meer en meer een genezingsaspect voor Daisne gekregen. Over Lago Maggiore (1957), de eerste roman die hij na zijn depressie schrijft, zegt hij in een interview: “Ik, die in De man die zijn haar kort liet knippen een mens in de vreselijkste ellende – die van de ziel – om het leven liet komen, heb thans geprobeerd zulk een mens te redden door hem een uitweg te wijzen, die liever niet de afgrond, maar over een louterend bergmeer voert”.

Daisnes latere werk is sterk autobiografisch getint, zoals De neusvleugel der muze (1959), waarin zijn liefde voor film een grote rol speelt, en Hoe schoon was mijn school (1961), waarin hij herinneringen uit zijn lerarentijd ophaalt.

Daisnes werk wordt meermalen bekroond. In 1967 ontvangt hij de internationale Kogge-Preis (Duitsland) voor zijn hele oeuvre. In 1978 voltooit hij zijn levenswerk, het Filmografisch lexicon der wereldliteratuur. Hij sterft op 9 augustus van hetzelfde jaar.

Bronnen:
Johan Daisne (Profielreeks), Manteau
Johan Daisne, Bernard Kemp

Op www.users.pandora.be/louis.jacobs/Daisne.htm is de volledige bibliografie van Daisnes werk te vinden.

KP

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer