Cola Debrot

Het wordt mij droef te moede,
al weet ik niet waarom.
Ik zie de zon verbloeden
diep aan de horizon.


Cola Debrot

Cola Debrot werd geboren als Nicolaas Debrot op het Antilliaanse eiland Bonaire in 1902 als kind van een Zwitserse vader en een Venezolaanse moeder. Hij werd grootgebracht met Papiamento en Spaans, en leerde pas later Nederlands spreken. Tijdens WO I kwam hij naar Nederland om te gaan studeren. Hij studeerde rechten en medicijnen in Utrecht en Amsterdam en werkte als arts, eerst in Amsterdam, later op Curaçao. Na de Tweede Wereldoorlog begon Debrot aan een politieke loopbaan, die uitmondde in zijn functie van gouverneur van de Nederlandse Antillen van 1962 tot 1970. Cola Debrot schreef, behalve zijn literaire werk, ook veel artikelen voor kranten en tijdschriften over de Antilliaanse cultuur en literatuur.

Cola Debrot werd uit een Zwitserse vader en een Venezolaanse moeder in 1902 op Bonaire geboren, waardoor hij tijdens zijn jeugd vooral Papiamento en Spaans sprak. Pas vanaf de lagere school kwam hij in contact met het Nederlands. In 1916 kwam hij tijdens WO I naar Nederland om er te studeren. Na zijn staatsexamen in 1921 woonde hij enkele maanden in Berlijn en studeerde daarna rechten in Utrecht waar hij o.a. vriendschap sloot met Pyke Koch en Jan Engelman. In 1928 trok hij naar Parijs waar hij drie jaar zou blijven met een tussentijds verblijf in de VS. Hij trouwde er met de danseres Estelle Reed en raakte bevriend met Céline. In 1931 verhuisde hij naar Amsterdam om er geneeskunde te studeren. Tijdens zijn Amsterdamse jaren als student en arts (1942 tot 1948) kwam hij in contact met Du Perron, Marsman, Vestdijk, Ter Braak en Nijhoff. Hij was medeoprichter en woordvoerder van Criterium waarvoor hij ook bijdragen schreef.

Daarna keerde hij naar Curaçao terug waar hij een politieke carrière begon. Hij speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van de nieuwe relaties tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Tijdens zijn gouverneurschap van de Nederlandse Antillen in de periode 1962-1970 voorkwam hij in 1969 verdere escalatie van de ’30-mei-oproer’ in Willemstad. Op de Antillen was hij niet alleen politiek actief, maar zette hij zich o.a. ook in voor de veeltalige Antilliaanse literatuur met de Antilliaanse cahiers waarvan hij redacteur was (1955-1967). De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in het Rosa Spierhuis in Laren, een huis voor bejaarde kunstenaars en wetenschappers. In 1981 is hij overleden.

Zijn werk werd vertaald in het Engels, Frans, Papiamento en Servokroatisch.

Bibliografie:

Poëzie

  • Heimwee (in eigen beheer) (918)
  • Bekentenis in Toledo (1945)
  • Navrante zomer (1945)
  • De afwezigen (1952)
  • Tussen de grijze lijnen en andere gedichten (1970)
  • Verzameld werk 2. Gedichten (1985)

Proza

  • Mijn zuster de negerin (1935)
  • Senorita Campbell (1938)
  • Bid voor Camille Willocq (1946)
  • Bewolkt bestaan (1948)
  • Galante verhalen (1976)
  • De vervolgden (1982)
  • Verzameld werk 3. Verhalen (1986)
  • Verzameld werk 4. Bewolkt bestaan (1986)

 Toneel

  • De automaten (in ‘Criterium’, 1940)
  • Bokaal aan de lippen (in ‘Nieuw Vlaams Tijdschrift’, 1950)
  • Op zoek naar de Infanta (onvoltooid)
  • Verzameld werk 7. Toneel (1989)

Dagboeken

  • Dagboekbladen uit Genève (1963, herziene uitgave in 1977)
  • Verzameld werk 6. Dagboekbladen uit Genève. Over dans en beeldende kunst (1988)

 Essays

  • Ars en Vita (met G.P.M. Knuvelder) (1945)
  • Het existentialisme. Drie voordrachten met discussie (met R.F. Beerling en Jacq. de Kadt) (1947)
  • Antilliaanse cahiers (1955)
  • Dagboekbladen uit Genève (1963)
  • Verzameld werk 1. Over Antilliaanse cultuur (1985)
  • Verzameld werk 5. Over literatuur (1987)
  • Verzameld werk 6. Dagboekbladen uit Genève. Over dans en beeldende kunst (1988)
  • Wie was Céline? Van cuirassier tot clochard (1989)

JP

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

17 november 2009

Zoektocht naar zijn verleden levert charmant boek op

Recensie door Rein Swart

De intrigerende roman ‘Austerlitz’ van W.G. Sebald uit 2003 begint met een bezoek van de ik-figuur, een alter ego van de schrijver, aan de Zoo in Antwerpen in de tweede helft van de jaren zestig. De uilen die hij daar ziet doen hem denken aan de vorsende blikken ‘zoals je die wel aantreft bij bepaalde schilders en filosofen, die door middel van de zuivere waarneming en het zuivere denken trachten door te dringen in de duisternis die ons omringt.’ Daarna ontmoet hij, heel en passant, de mysterieuze Austerlitz in de wachtkamer van het station, die zeer geïnteresseerd blijkt te zijn in de architecturale waarde van het gebouw.

Lees meer