Ed Hoornik

Op 9 maart 1910 werd Ed Hoornik geboren in Den Haag. Op 1 maart 1970 overleed hij. Over het algemeen wordt Hoornik geschaard onder de zogenaamde Amsterdamse School, samen met Jac. van Hattum en Gerard den Brabander. Hij is vooral bekend door zijn wat langere, cyclische gedichten. Uit deze gedichten spreekt een beleving van een leven waarin alle gangbare onderscheidingen als dood-leven, verbeelder-verbeelde en slachtoffer-beul hun waarde hebben verloren.

Voor de oorlog was Hoornik redacteur van de tijdschriften Werk (1939) en Criterium (1940-1942). In 1936 debuteerde hij met de dichtbundel Het Keerpunt. Tot 1942 was hij verbonden aan het Algemeen Handelsblad. In hetzelfde jaar werd hij, omdat hij mogelijk betrokken was bij illegale activiteiten, gevangen genomen door de Duitse bezetters en werd naar de concentratiekampen van Buchenwald en Dachau overgebracht. Hij bracht er drie jaar door. Na de oorlog ging het doodsmotief een prominente rol spelen in zijn werk

Na de oorlog was hij onder andere redacteur van Vrij Nederland, Delta en De Gids. Buiten dichtwerk schreef Hoornik eveneens een aantal essays over andere dichters (onder wie Jan Greshoff) over de poëzie (Over en weer) en vier toneelstukken. In 1968 maakte hij zijn romandebuut met De Overlevende.

Ed Hoornik was getrouwd met Mies Bouhuys, schrijfster van (kinder)boeken, toneel en gedichten. Het huwelijk van zijn dochter Eva (die net als haar vader schrijft), maakte hem de schoonvader van Bernlef. Tevens was hij de schoonvader van K. Schippers.


Primaire bibliografie

Drie op één perron (1938), met G. den Brabander en Jac. van Hattum
J. Greshoff, dichter en moralist (1939)
Een liefde (1941)
Doodenherdenking in Dachau (1945)
Verzamelde gedichten (1950)
De man in de stad (1952)
Momentopnamen (1954)
Na jaren (1955)
Achter de bergen (1955)
De zeewolf (1955)
Kaïns geslacht (1955)
Het water (1959)
De dubbelganger (1962)
Over en weer (1962)

Secundaire Literatuur:

J. Starink, in Handel, Ned. Filologencongres (1964); S. Vestdijk, in Muiterij tegen het etmaal (19662); M.J.G. de Jong, in Twintig poëziekritieken (1967); Idem, in Van Bilderdijk tot Lucebert (1967); F. Auwera, in Schrijven of schieten (1969); M.J.G. de Jong, in Flierefluiters apostel (1970); Ed Hoornik-nummer van De Gids, 133 (1970); A. den Besten, in Dichten als daad (1973); Ed Hoornik. Schrijversprentenboek, 17 (1973); C.J.E. Dinaux, in Herzien bestek (1974); W. Ramaker, `Reis naar Dachau’, in Literama, 10 (1975-1976).

AmvdP

Bron: www.dbnl.nl
 

 

Recent

19 november 2019

Wandelen langs de rivier

18 november 2019

Ingehouden roekeloosheid

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 november 2009

door Frank Heinen

Jean Mattern was tot op heden vooral bekend als uitgever van veel belangrijke Nederlandse auteurs. Nu is er zijn eigen debuut, De baden van Kiraly. Moet deze schoenmaker zich bij z’n leest houden of kan Harry Mulisch op zoek naar een nieuwe uitgever in Frankrijk?

De baden van Kiraly beschrijft een cruciale fase in het leven van Gabriël, net als Mattern een Franse intellectueel met roots in de Balkan. Gabriëls leven lijkt op het eerste gezicht een successtory: opgegroeid op het Franse platteland, zich dankzij de literatuur ontworsteld aan het ietwat proletarische dorpsleven verhuist naar Groot-Brittannië om daar te gaan studeren en wordt op de koop toe nog verliefd ook.

Lees meer