5 december 2005

Koen Peeters

Schrijver van de week: Koen Peeters (1959)
 

Afgelopen zaterdagmiddag was in het Brusselse Kaaitheater de presentatie van Koen Peeters’ eerste dichtbundel: fijne motoriek. Als prozaschrijver debuteerde hij al veel eerder: in 1988 met de roman Conversaties met K.
 
Koen Peeters is het soort schrijver dat rustig voort werkt aan een uitdijend oeuvre. Het zijn geen spraakmakende boeken, maar stuk voor stuk fijn geconstrueerde pareltjes. In zijn oudste boeken toont hij zich een verzamelaar, een encyclopedist die een grote collectie aan weetjes verwerkt in zijn verhalen. Tekenend hiervoor is de Franse postbode Cheval, die in zijn vrije tijd een kasteel bouwde van de steentjes en het afval dat hij op zijn postronde vond. Peeters doet ongeveer hetzelfde, met dien verstande dat zijn kastelen boeken worden (niet te verwarren met kasteelromannetjes, trouwens). Het lezen van die boeken leert je ontzettend veel over kleine dingetjes: de okapi, buitenwijken van Brussel, Internet Relay Chat (zo heette MSN’en in 1996 nog), mail-art, Kuifje enzovoort. En vooral over België: België is volgens Peeters wat je krijgt als je Kuifje, James Ensor, Brussel, René Magritte, Koning Boudewijn, Côte d’Or, Jacques Brel, Marc Dutroux, Louis Paul Boon, Eddy Merckx, de Witte Mars, Paul van Ostaijen, Zwart-geel-rood en Marcel Broodthaers door een magisch-realistische vleesmolen duwt – een veelkleurig rommeltje. 

Koen Peeters’ literaire blik lijkt met elke roman weidser te worden. Kort door de bocht geformuleerd klimt hij zijn eigen kelders uit om Brussel en België te aanschouwen. De milde ironische toon van vroeger lijkt wat scherper te worden en ook zijn onderwerpskeuze is veranderd. Op de verhalen over filatelie, Congo en de oude koning Boudewijn, zoals die te vinden zijn in zijn eerste boeken, volgen verhalen over internet, Sarajevo, het België na Marc Dutroux en New Age. Het is niet ernstig, mon amour (1996), een moderne variant op Nescio’s Titaantjes,  is bij tijd en wijle zelfs tamelijk grimmig. Niet erg grimmig – zo is Peeters niet.
 
Acacialaan (2001) gaat over de toestand in België rond de zaak-Dutroux, en ook over twee dode schrijvers: Louis Paul Boon en Maurice Gilliams. ‘Gilliams en Louis Paul Boon beschouw ik als de twee (sterk contrasterende) referentieassen van het Vlaams proza van nu’ stelde Daniël Robberechts in 1978 vast. Waar Gilliams zich een aristocratische jeugd toedichtte en het liefst in zijn eigen hoofd woonde, is Boontje altijd trots geweest op zijn arbeidersmilieu en trachtte hij zich de wereld in te schrijven middels een radicaal engagement. Met die twee gidsen door het België van het fin-de-millennaire te reizen, levert de zoveelste interessante tocht van wandelaar en verzamelaar Peeters op.
 

Patrick Bassant – Literair Vlaanderen

 

 
 

 

Recent

25 september 2017

Een waardig gedragen ongeluk

24 september 2017

What's in a design

22 september 2017

Modiano's spel met de lezer

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

Literair Nederland - 10 jaar geleden

08 oktober 2007

Noeste gelovigen die de Texaanse prairie trotseren tegen beter weten in. Wrede indianen die hun voormalig territorium verdedigen. En de Amerikaanse burgeroorlog op de achtergrond. De nieuwste roman van Arthur Japin is een prachtig geschreven historische roman met een sympathieke maar chagrijnige oude vrouw in de hoofdrol. Een vrouw die dingen heeft moeten doorstaan die je niemand toewenst. Het moment dat de laatste indianenstam zich besluit over te geven wordt voor haar een reis naar het verleden.

Sallie “Granny” Parker en haar man, kinderen, schoonzonen en kleinkinderen trekken er rond 1835 op uit om een fort te bouwen in Texas. Als pioniersfamilie hebben ze een stuk grond gekregen midden in het leefgebied van een indianenstam: de Comanche. Deze staan bekend als een van de wreedste stammen van het land. Binnen de hoge muren van hun fort wanen de Parkers zich echter veilig. Tot die ene dag aanbreekt waarop de indianen haar halve familie doden en de rest ontvoeren.

Lees meer