Koen Peeters

Schrijver van de week: Koen Peeters (1959)
 

Afgelopen zaterdagmiddag was in het Brusselse Kaaitheater de presentatie van Koen Peeters’ eerste dichtbundel: fijne motoriek. Als prozaschrijver debuteerde hij al veel eerder: in 1988 met de roman Conversaties met K.
 
Koen Peeters is het soort schrijver dat rustig voort werkt aan een uitdijend oeuvre. Het zijn geen spraakmakende boeken, maar stuk voor stuk fijn geconstrueerde pareltjes. In zijn oudste boeken toont hij zich een verzamelaar, een encyclopedist die een grote collectie aan weetjes verwerkt in zijn verhalen. Tekenend hiervoor is de Franse postbode Cheval, die in zijn vrije tijd een kasteel bouwde van de steentjes en het afval dat hij op zijn postronde vond. Peeters doet ongeveer hetzelfde, met dien verstande dat zijn kastelen boeken worden (niet te verwarren met kasteelromannetjes, trouwens). Het lezen van die boeken leert je ontzettend veel over kleine dingetjes: de okapi, buitenwijken van Brussel, Internet Relay Chat (zo heette MSN’en in 1996 nog), mail-art, Kuifje enzovoort. En vooral over België: België is volgens Peeters wat je krijgt als je Kuifje, James Ensor, Brussel, René Magritte, Koning Boudewijn, Côte d’Or, Jacques Brel, Marc Dutroux, Louis Paul Boon, Eddy Merckx, de Witte Mars, Paul van Ostaijen, Zwart-geel-rood en Marcel Broodthaers door een magisch-realistische vleesmolen duwt – een veelkleurig rommeltje. 

Koen Peeters’ literaire blik lijkt met elke roman weidser te worden. Kort door de bocht geformuleerd klimt hij zijn eigen kelders uit om Brussel en België te aanschouwen. De milde ironische toon van vroeger lijkt wat scherper te worden en ook zijn onderwerpskeuze is veranderd. Op de verhalen over filatelie, Congo en de oude koning Boudewijn, zoals die te vinden zijn in zijn eerste boeken, volgen verhalen over internet, Sarajevo, het België na Marc Dutroux en New Age. Het is niet ernstig, mon amour (1996), een moderne variant op Nescio’s Titaantjes,  is bij tijd en wijle zelfs tamelijk grimmig. Niet erg grimmig – zo is Peeters niet.
 
Acacialaan (2001) gaat over de toestand in België rond de zaak-Dutroux, en ook over twee dode schrijvers: Louis Paul Boon en Maurice Gilliams. ‘Gilliams en Louis Paul Boon beschouw ik als de twee (sterk contrasterende) referentieassen van het Vlaams proza van nu’ stelde Daniël Robberechts in 1978 vast. Waar Gilliams zich een aristocratische jeugd toedichtte en het liefst in zijn eigen hoofd woonde, is Boontje altijd trots geweest op zijn arbeidersmilieu en trachtte hij zich de wereld in te schrijven middels een radicaal engagement. Met die twee gidsen door het België van het fin-de-millennaire te reizen, levert de zoveelste interessante tocht van wandelaar en verzamelaar Peeters op.
 

Patrick Bassant – Literair Vlaanderen

 

 
 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 april 2009

Recensie "'t Manco" - Georges Perec

Waarin een handicap tot een bijzondere kracht wordt

door Rein Swart

Dit Franse boek uit 1969, dat veel in zich heeft van een postmoderne roman, is geschreven zonder de letter “e”. Dat genereert op zich al een soort proza dat anders is dan wanneer de schrijver zonder inperking zou schrijven. Perec zegt zelf in een naschrift dat zijn vormdwang voortkwam uit blufpraat, maar dat het vervolgens een stimulans bleek te zijn voor een fris glansrijk proza.

Lees meer