Hans Andreus

Johan Willem van der Zant (Amsterdam 21 februari 1926 – Putten 9 juni 1977) was de werkelijke naam van Hans Andreus. Hij wist, zoals veel kunstenaars dat hij later als hij groot was iets artistieks wilde gaan doen. Hij werd dichter. Dat op de eerste plaats, maar daarnaast schreef hij ook enkele romans, waaronder het lieflijke Valentijn, dat bovendien een leuk, maar fictief, kijkje geeft in de keuken van de vijftigers. Het meest beroemd werd hij echter met zijn kinderboeken.

In zijn jeugd zwierf Hans graag door de natuur en deed daar veel indrukken voor zijn latere poëzie op. Hij bezocht van 1930 tot 1937 de openbare lagere school in Scheveningen en keerde toen terug naar Amsterdam, waar hij korte tijd naar de école Wallone ging.

Waarschijnlijk was Hans Andreus reeds in 1939 begonnen met dichten. Hij was betrokken bij allerlei jongensclubjes, waardoor hij onder anderen met Bertus Swaanswijk, die zich later Lucebert ging noemen, bevriend raakte. Zij stimuleerden elkaar in hun poëtische ontwikkeling en liepen de bibliotheek plat om alle moderne poëzie die ze in handen konden krijgen te lezen.

In 1940 ging Hans naar de hbs. Daar raakte hij bevriend met John Plemp. Plemp was een bewonderaar van Andreus’ werk en schreef veel van zijn gedichten over, waardoor er nog wel wat jeugdwerk van Andreus bewaard is gebleven. Hij maakte de hbs niet af, conflicten thuis schijnen daar een rol bij gespeeld te hebben. In 1945 werd hij als leerling ingeschreven aan de Toneelschool in Amsterdam, maar deze opleiding maakte hij niet af. Hij verzuimde te veel lessen en bleef zitten. Hij werkte daarna korte tijd als corrector voor de Volkskrant, wat trouwens zijn enige betaalde baantje ooit is geweest. Hij ging toen ook zelfstandig wonen en kwam in 1949 terecht in een souterrain aan de Stadhouderskade, waarvan hij in zijn novelle Bezoek een impressie gaf.

Hans Andreus ontleende zijn pseudoniem aan een medeleerlinge aan de Toneelschool, Yda Andrea. Eerst publiceerde hij onder exact die naam en in 1946 lukte het hem één gedicht geplaatst te krijgen in het tijdschrift Centaur. Het was een keurig sonnet over een fluitspeler. Andreus schreef toen ook al kinderboeken en korte prozastukken en ging voor de Vara hoorspelen schrijven. Hij probeerde intussen nog meer poëzie geplaatst te krijgen, maar pas in 1949 leverde dat iets van betekenis op toen Podium besloot drie gedichten van hem te plaatsen. De verzenreeks heette Raffia en was duidelijk experimenteler van opzet, geïnspireerd door Paul van Ostaijen.

Andreus’ rol binnen Podium werd steeds groter. Nog voor hij in 1951 toetrad tot de redactie zorgde hij ervoor dat het tijdschrift zijn positie als vooruitstrevend poëzietijdschrift kon verstevigen door werk aan te leveren van zijn jeugdvriend Lucebert, en van Jan Elburg, Bert Schierbeek en Gerrit Kouwenaar.

Hij ging in Parijs wonen, op uitnodiging van Simon Vinkenoog. Toen hij in 1951 vertrok stond zijn eerste gedichtenbundel op het punt te verschijnen, Muziek voor kijkdieren. Hij ontmoette in Parijs Odile Liénard en ging met haar samenwonen. Hij schreef achter elkaar poëzie en ontwikkelde zijn vrije stijl steeds meer. Hij deed veel met metaforen en associeerde er vrij op los. In zijn derde Parijse bundel Schilderkunst, keerde hij naar een wat strakkere vorm terug.

Hans maakte met Odile een aantal reizen naar Italië en deed daar veel inspiratie op voor zijn ‘licht’-thema, dat in al zijn werk een rol speelt. Ze gingen er ook langere tijd wonen en Andreus hield een enorme productie op peil. In 1954 besloot hij zich in Rome te vestigen.

Toen ging het echter mis met Andreus. Hij raakte in een psychische crisis waardoor hij terug moest naar Nederland. Oververmoeidheid en spanningen waren de aanleiding, maar de oorzaken lagen dieper en Andreus schakelde een psychiater in. Andreus kampte met schuld- en identiteitsproblemen en dat had volgens zijn psychiater te maken met de prenatale scheiding van de tweelinghelft, deze zou gestorven zijn in de baarmoeder, terwijl Hans had overleefd. Het gaf hem een nieuw houvast en een nieuwe thematiek in zijn poëzie.

In 1955 verliet Andreus de kliniek waarin hij opgenomen was geweest en ging terug naar Parijs, waar hij de relatie met Odile verbrak. Hij was nog steeds bij Podium betrokken al droeg hij minder bij. Hij trok in bij Gerrit Borgers, de redactiesecretaris van het tijdschrift. Daar schreef hij een van zijn beroemdste werken De sonnetten van de kleine waanzin (1957). Al zijn thema’s komen in deze bundel uit de verf op een indringende en soms schrijnende manier.

Andreus verhuisde weer naar Amsterdam en leerde daar Ina Bouman kennen, met wie hij trouwde en twee kinderen kreeg. Dat was in 1958. In 1961 scheidden ze weer. Andreus had Lucretia Paulides ontmoet en met haar trouwde hij in 1962. En kreeg nog drie kinderen. Hij kwam uiteindelijk in Putten te wonen met zijn gezin en leidde daar een teruggetrokken bestaan. Hij vertaalde veel en schreef veel kinderboeken. Ook schreef hij nog gedichten, in 1970 verscheen de bundel Natuurgedichten en andere, waarvoor hij de Jan Campertprijs ontving.

De psychische crisis die hij had doorgemaakt en zijn identiteitsprobleem bleven hem in zijn gedichten bezighouden, maar ook de rust en het geluk in zijn gezin. Blijvend fascineerde hem het licht en hij plaatste het in zijn latere bundels in het kader van de moderne fysica die hij graag bestudeerde. In zijn liefdesgedichten kreeg het licht een erotische dimensie. In 1975 verscheen een dikke verzamelbundel, waarin Andreus een keus uit zijn poëzie presenteerde. Het boek laat zien hoe duidelijk er in dit werk, ondanks de ontwikkeling die de dichter doormaakte, een eenheid is gebleven.

In 1977 werd Hans Andreus ziek. Hij bleek kanker te hebben en werd opgenomen in het Academisch Ziekenhuis te Leiden. Na enkele maanden keerde hij naar huis terug en daar is hij op 9 juni gestorven.

Bibliografie:

Vierendelen (met Remco Campert, Hugo Claus en Simon Vinkenoog) (1951)
Muziek voor kijkdieren (1951)
De ronde kant van de aarde (gedichten bij tekeningen van Karel Appel) (1952)
Italië (tekeningen van Lucebert) (1952)
De taal der dieren (1952)
Schilderkunst (1954)
Het explosieve uur (1955)
Empedocles de Ander (1955)
Tweespraak (met Simon Vinkenoog) (1956)
Misschien (1956)
Variaties op een afscheid (1956)
De sonnetten van de kleine waanzin (1957)
Het land van horen en zien (1957)
Gedichten I (verzamelbundel) (1958)
Zoon van Eros (1958)
Al ben ik een reiziger (1959)
Gedichten II (verzamelbundel) (1959)
Luisteren met het lichaam (1960)
Groen land (1961)
Aarde (1962)
Drie staat tot een (gedichten bij tekeningen van Martin van Veen, met Simon Vinkenoog en Nico Verhoeven) (1962)
Klein boek om het licht heen (1964)
Syntropisch (1965)
Een keuze uit zijn gedichten (1965)
Liggen in de zon (1968)
De ruimtevaarder (1968)
Natuurgedichten en andere (1970)
Jubal (1971)
Vehikel (1972)
Om de mond van het licht: een kleine case history (1973)
De witte netten van zon en maan (1974)
Gedichten 1968-1974 (1975)
Holte van licht (1976)
Laatste gedichten (1977)
Dat licht van mij (1978)
Verzamelde gedichten (onder redactie van Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim de Vroomen) (1983)
Raffia (1984)
Vertel hoeveel ik van je hou. Vijfendertig liefdesgedichten (Gekozen door Menno Wigman) (1998)

Proza:

Empedocles, de ander (1955)
Bezoek (1959)
Valentijn (1960)
Denise (1962)
Uit het jeugdige leven van Melchior Blovoet (1986)
Verzameld proza (1990)

DdH

Recent

9 december 2019

Een ode aan de cyclus van het leven

Over 'Levenslust' van Joke van Leeuwen
5 december 2019

Duistere kanten van het menselijk bestaan

Over 'Een oude geschiedenis' van Jonathan Littell
4 december 2019

De donkerte onder het genot

Over 'Zwarte schuur' van Oek de Jong
3 december 2019

Spannende portretten van gewone mensen

Over 'Nederzettingen' van Sanneke van Hassel
2 december 2019

Taal moet swingen

Over 'Alle verhalen' van Jean Rhys