16 juni 2003

Midas Dekkers

Midas Dekkers werd op 22 april 1946 te Haarlem geboren. Hij is in eerste instantie bioloog maar ? naar eigen zeggen ? oefent hij dat vak al schrijvende uit. Waar anderen een microscoop of een verrekijker nodig hebben, gebruikt hij de typemachine. Bij het schrijven komt er bij Dekkers geen computer aan te pas. ‘Door te schrijven op typemachines heb ik een kunstje geleerd: eerst nadenken en dan pas schrijven. Omdat ik nog met papier en carbon werk, is het niet eenvoudig fouten te corrigeren. Als je dan vijftien blaadjes hebt weggegooid, leer je wel eerst nadenken voordat je wat typt.’

Op die typemachine verschenen eerst vooral boeken over dieren, zoals Lief Dier: over bestialiteit (1996) en Leve de dieren (1986). Dekkers is een uiterst verleidelijke auteur om te citeren, hij slingert zijn biologische visie middels krachtige oneliners de wereld in, zoals in Leve de dieren: ‘De tijden veranderen. Wat een geluk dat de natuur niet zo behoudend is als het natuurbehoud. De fauna floreert erbij. Nu wij nog.’ Of uit De kikvors en de flamingo (1998): ‘Terwijl vogelliefhebbers rouwen om de laatste ooievaar, rukken de reigers massaal op naar de steden. Ook vossen en reeën gedijen. Nu eens dankzij, dan weer ondanks de mens, passen dieren zich veelal sneller aan de moderne tijd aan dan mensen.’

Tevens is Midas een kattenliefhebber in hart en nieren: ‘Een koe is een koe en een kip is een kip, maar de ene poes is lang de ander niet. Een poes is iemand. Zie je bij de meeste beesten wat het is ? een mus of een makreel ? bij een poes zie je wie: Minet of Zwartje, die leuke rooie of de kat van hiernaast. Daar kun je een portret van maken. Dat hebben veel schilders dan ook gedaan. Al zijn hun poezen allang dood, soms al duizenden jaren, toch zie je hoe lief die poezen waren of hoe mooi of hoe eng. Je ziet niet alleen de katten en de mensen van toen, maar vooral ook iets wat je eigenlijk niet kan zien: de liefde tussen die twee.’ (uit: Poes: de poezen verhalen, 2002)

Na afwisselend in Haarlem, Amsterdam en de Betuwe gewoond te hebben, is Dekkers sinds 1997 even buiten Weesp beland. Het was toeval dat hij daar uiteindelijk neerstreek. In een Amsterdams café maakte een Weesper Dekkers er op attent dat het voormalige stadhuis te koop stond. Na een lezing in Diemen kon hij zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en nam hij eens een kijkje aan de Hoogstraat. Zijn eerste indruk was nog voorzichtig omdat hij het ‘kleine rottuintje’ zag, maar de nabijheid van café ’t Helletje, De Oorbel en De Natte Krant maakten een hoop goed. Dekkers is tenslotte een kasteleinszoon en gaat nergens wonen voordat hij de plaatselijke horeca heeft gecontroleerd.

De Vergankelijkheid is het eerste boek dat hij in zijn nieuwe woning in Weesp schreef. Het is veel breder van opzet dan zijn vorige boeken en schakelt moeiteloos van een pleidooi voor lege plekken in de stad naar de vergankelijkheid van de mens zelf ? en de vele illusies die daarbij horen. Dekkers is sowieso iemand die op vaak grimmige, humorvolle en sarcastische wijze schijnbare zekerheden aan de kaak stelt. In zijn laatste boek De Larf richt hij zijn pijlen op ‘de rol van het kind in natuur en cultuur.’ Al sinds Ovidius zitten literatuur en volksverhalen vol met duivels en weerwolven. Toch ziet haast niemand in dat ook de mens in zijn leven een metamorfose ondergaat, namelijk van kind naar volwassene. Niemand beseft dat Homo sapiens, net als rups en vlinder, eigenlijk twee gedaanten heeft, maar iedereen gedraagt zich ernaar. Kinderen leven gescheiden van volwassenen in een eigen wereld van crèches, scholen en clubs, ze lezen hun eigen kinderboeken en bezoeken een eigen kinderboerderij. Tot ze in een explosie van popmuziek en pukkels verpoppen, in de puberteit.
Veel volwassen mensen verlangen ? volgens Dekkers ? tegenwoordig terug naar de andere kant van de generatiekloof. In op de groei gekochte kleren en met een kleurig petje op skaten ze over de stoep, eten bij McDonald’s, of spelen met een bal. Thuis lezen ze niet Ovidius, maar Kuifje en Harry Potter. Het is een infantilisering die doet denken aan een vlinder die terugkruipt in zijn pophuid.

Onlangs kreeg Dekkers voor De larf de Eureka prijs voor de beste, op een breed publiek georiënteerde, wetenschappelijke bijdrage. De schrijver is wekelijks te horen in het radioprogramma Vroege Vogels, heeft een column in de Vara-gids en zal naar alle waarschijnlijkheid ook nog weer bij de Vara op televisie verschijnen. Tot slot nog één citaat, uit een fantastisch interview met Max Arian in de Groene Amsterdammer (in zijn geheel te vinden op: http://www.groene.nl/2001/0112/ma_dekkers.html):

‘De natuur is niets anders dan moord en doodslag, eten en gevreten worden. Van een leuk nestje met zeven koolmeesjes zijn er na een jaar zes op een afgrijselijke manier omgekomen. Van honderd dieren die worden geboren, komen er 99 op een afschuwelijke manier aan hun einde, niet netjes met een mooi elektrocutie-apparaat, of met een mesje dat snel de hals afsnijdt. En wat doen wij? We richten natuurreservaten in waar van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat gemoord en geplunderd wordt. In de bio-industrie wordt veel en veel minder geleden dan in Gods vrije natuur. Er is echter één belangrijk verschil. Voor de beesten in de stallen zijn wij verantwoordelijk en voor de dieren in het bos niet. Dat is ons dilemma, want nu zie je dat wij die verantwoordelijkheid helemaal niet aankunnen. Het is ons volstrekt boven ons hoofd gegroeid. Er waren vroeger ook epidemieën, maar die bleven meestal beperkt. Toen de bio-industrie is ontstaan, veranderde de rol van de dierenarts. Die smeert nu niet alleen meer twee keer per jaar ons poesje door, maar daarna gaat hij op grote laarzen en met grote spuiten in z’n four wheeldrive de boer op. De boer kan geen dag meer zonder dierenarts. Dat die beesten veel te dicht op elkaar zitten is alleen maar mogelijk met behulp van de spuiten van de dierenarts. Dankzij die half-technologie weten ze de ziektes aardig onder controle te houden tot er op een gegeven moment zoveel verzwakte en verfokte dieren bij elkaar zitten dat de bom barst, en dan kun je op het laatst niet nog meer dierenartsen met nog grotere spuiten op nog grotere laarzen in nog grotere landrovers laten aanrukken. Dan kun je niets anders meer doen dan de ziekte uit te laten razen.’

Tuf mee met programmamaker Arjen Visser en Midas Dekkers op zijn boot over de Amstel en hoor hen praten over het verschil tussen de ‘werkelijke werkelijkheid’ en ‘de werkelijkheid in je hoofd’, over negentiendeeeuwse idealen, over de diersoort die ‘kind’ heet, over de bittere strijd tegen de teloorgang van de wereld, over alcohol, tabak en echte mannen:

http://www.omroep.nl/rvu/index.html#@http://www.omroep.nl/rvu/berichten/2002/september/midas/welcome.html

 

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

12 oktober 2017

Een antikrimi

11 oktober 2017

De stijl tekent de man

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer