21 april 2003

Nescio

Hele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderduit te bomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig. (Uit: Titaantjes)

Jan Hendrik Frederik Grönloh (Frits) werd op 22 juni 1882 geboren te Amsterdam, Reguliersbreestraat 49, als oudste van twee zoons en twee dochters van een smid en zijn vrouw. Hij groeit op in Amsterdam-Oost, volgt daar onderwijs aan de HBS en aan de Openbare Handelsschool. In 1899 krijgt hij werk als jongste bediende op een kantoor in Hengelo, hij woont dan bij zijn tante Agatha Grönloh, in oktober van dat jaar keert hij weer terug naar Amsterdam.

Behalve interesse voor het handelsvak, ontwikkelt Frits ook een grote liefde voor de literatuur. Hij leest o.a. Dickens, Dostojewski, Balzac, Van Eeden en Multatuli, voor wie hij een grote bewondering koesterde. In 1900 zendt Frits zijn eerste verhaal in ‘Mijn vriend en ik’. Het Geïllustreerd Stuiversblad, waar hij het naartoe zond, wijst het af. Daarop stuurt hij het naar De Echo. Wederom wordt hij niet gepubliceerd.

De jaren daarop werkt hij bij verscheidene handelsbedrijven, in 1902 gaat Grönloh vanwege een nieuwe betrekking in Duitsland wonen. In 1904 keert hij weer terug naar Amsterdam en twee jaar later trouwt hij met Aagje Tiket, uit welk huwelijk vier kinderen worden geboren. Ze vestigen zich aan de Ringkade in Amsterdam-Oost, tegenwoordig de Transvaalkade genaamd.

Samen met vrienden van de zangvereniging waar hij verplicht door zijn ouders lid van was geworden, richt hij de Vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit op, bij deze Vereniging hoort het weekblad De Pionier, waarin Grönlohs eerste publicatie, een ingezonden brief verschijnt. Hij betoonde zich in die tijd iemand die zeer maatschappelijk betrokken was en sterk beïnvloed werd door het socialisme.

In 1910 stuurt hij een eerste versie van het verhaal De Uitvreter op naar het tijdschrift Nederland. Wederom wordt hij niet gepubliceerd. Wanneer hij een uitgebreidere en verbeterde versie naar De Gids stuurt, besluit dit tijdschrift hem wél te publiceren. Het wordt opgenomen in het januarinummer van 1911.

In maart 1914 stuurt hij vervolgens De Titaantjes op naar hetzelfde tijdschrift. De redactie besluit na rijp beraad echter dit verhaal niet op te nemen. Daarop wendt de auteur zich tot het tijdschrift Groot-Nederland, dat het wel opneemt.

In de periode 1915-1917 probeert Nescio zijn twee novellen in een boekuitgave gepubliceerd te krijgen, maar dit plan wordt door zowel De Wereldbibliotheek, Uitgever C.A,J. Van Dishoeck en Uitgever S.L. van Looy afgewezen. De Firma W.L.&J. Brusse houdt hem een tijdje aan het lijntje, maar dat is dan ook alles.

In de zomer van 1917 schrijft Nescio Dichtertje en probeert dit wederom bij Groot Nederland te slijten.

Uiteindelijk verschijnt in 1918 de novellenbundel Dichtertje-De Uitvreter-Titaantjes bij uitgever-kunsthandelaar J.H. de Bois te Haarlem.

Nescio kampt door de jaren heen met gezondheidsproblemen, al in 1914 wordt hij opgenomen in een rusthuis omdat hij ernstig overspannen is. In 1918 belandt hij met een gecompliceerde longontsteking in het ziekenhuis. Daarna verhuist hij met zijn gezin naar Amsterdam over het IJ en vervolgens naar de Middenweg 166. In juli 1926 wordt hij benoemd tot directeur van de Holland-Bombay Trading Company. Helaas raakt hij reeds 1927 ernstig overspannen.

Pas in 1935 komt Nescio weer met een nieuw verhaal, Mene Tekel genaamd. Het verschijnt in het septembernummer van De Stem. Het verhaal daarop ‘Een Lange Dag’ verschijnt in Kristal. Letterkundige Productie 1935.

De oorlog begint enkele jaren later en Nescio moet zijn werkzaamheden bij zijn bedrijf stopzetten. In 1942 schrijft hij de novelle Insula Dei, dat pas in 1960 in het decembernummer van Tirade verschijnt. Daarvoor is Nescio al gepensioneerd en opgenomen geweest in het ziekenhuis vanwege trombose in de hersenen. De bloemlezing uit eigen werk Boven het dal die Nescio enige jaren daarvoor had samengesteld is het laatste dat van hem verschijnt, op 25 juli 1961 overlijdt Nescio in ziekenhuis Zonnestraal te Hilversum. Zijn werk, hoe bescheiden van omvang ook, heeft tot nu toe alle grillen van de tijd overleeft en het lichtvoetige maar ook ontroerende proza van Nescio kent vele bewonderaars. Titaantjes en Dichtertje zijn onlangs heruitgegeven in een prachtige editie met tekeningen van Joost Swarte.

Bibliografie:

  • 1918 Dichtertje. De uitvreter. Titaantjes. 1e druk. J.H. de Bois, Haarlem, 1918 (april).
  • 1946 Mene Tekel bundel]. 1e druk. De Bezige Bij, Amsterdam, 1946 (december).
  • 1956 De uitvreter. Titaantjes. Dichtertje. Mene Tekel. 4e druk. Nijgh & Van Ditmar N.V., ‘s-Gravenhage, 1956 (juni).
  • 1961 Boven het dal en andere verhalen. 1e druk. G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1961 (mei).
  • 1962 ‘Heimwee’ en andere fragmenten. 1e druk. G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1962
  • 1969 Insula Dei. 1e druk. Em. Querido en Wolters-Noordhoff, Amsterdam – Groningen, 1969 (september).
  • 1987 Een lange dag. Nijgh & Van Ditmar N.V., ‘s-Gravenhage, 1987
  • 1996 Verzameld werk set in cassette. Nijgh & Van Ditmar / G.A. van Oorschot, Amsterdam, 
  • 1996Opmerkingen: Bezorgd door Lieneke Frerichs.
  • 1996 Verzameld werk set. Nijgh & Van Ditmar / G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1996
  • Opmerkingen: Verzameld proza ; Natuurdagboek. Bezorgd door Lieneke Frerichs.
  • 1996 Natuurdagboek. Nijgh & Van Ditmar / G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1996
  • 1996 Verzameld proza. Nijgh & Van Ditmar / G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1996

 

Recent

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

19 november 2007

Net niet spannend genoeg
Door Fatima Bajja

Het lijkt alsof Sylvia Houweling alles heeft wat haar hartje begeert. Ze is getrouwd met Eddie Kronenburg, heeft twee kinderen en woont in een prachtig huis in Amsterdam-Zuid. Toch is het allemaal niet zo mooi als het lijkt. Eddie werkt namelijk in de onderwereld, hij is verantwoordelijk voor het transport van drugs.

Lees meer