Eva Gerlach en de verhuizer

Dichters worden met van alles vergeleken: zieners, orakels, priesters, zelfs smeden en bakkers. Nooit met verhuizers. Daarvoor moet je een dichter als Eva Gerlach zijn. Ze verzon dit pseudoniem toen ze een verhuiswagen van de Firma Gerlach voorbij zag komen. Heel passend, vond ze: een dichter is immers ook een soort verhuizer – een verplaatser van betekenissen. “Je haalt iets uit de werkelijkheid en plaatst het in een ander verband.”

Eva Gerlach werd als Margaret Dijkstra op 9 april 1948 geboren in Amsterdam. Haar vader was schrijver en scenarist van beeldverhalen. Hij verliet het gezin toen Gerlach vier was; zij werd verder opgevoed door haar moeder, een lerares Nederlands, en haar stiefvader, een geoloog. In haar vroege dichtwerk zoals Een kopstaand beeld (1983) zullen de figuren van de dominante moeder en de weinig liefdevolle vader meermalen terugkomen. Van haar vijfde tot haar achttiende woonde het gezin in Paramaribo. Terug in Nederland volgde ze verschillende studies: Spaans, culturele antropologie en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze had vele banen en bijbanen: van zweminstructeur tot magazijnhulp. Ook vertaalde ze gebruiksaanwijzingen, assisteerde ze bij het maken van catalogi en hielp ze toneelgezelschappen. Ze publiceerde vervolgens in een groot aantal tijdschriften – van Tirade tot Nieuw Wereldtijdschrift. Sinds eind jaren zeventig leeft ze van haar vertaal- en schrijfwerk. Ze woont in Amsterdam, met haar man en twee dochters.

Gerlachs eerste gedichten verschenen in 1977 in het literaire tijdschrift Hollands Maandblad. Haar debuut, Verder geen leed, verscheen twee jaar later en kreeg meteen de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Haar belangrijkste thema’s komen in deze eerste bundel als aan de oppervlakte: verval, het verstrijken van de tijd, maar vooral ook de betekenis van begrippen als ‘waarneming’, ‘vastlegging’ en ‘vergetelheid’. “Je duwde me op tot ik vaart kreeg. Wind / sloeg bij het naar voren zwaaien in mijn ogen, / terug was het of ze werden weggezogen. / uit mijn gezicht. Beneden was ik blind.”

Gerlachs stijl is klassiek en afgemeten, met verzen in een strak schema. Het zijn doorlopende zinnen, in een soort Nijhoff-parlando, heel ingenieus met enjambementen ingekleed, zodat het gebruik van rijm uiterst subtiel is. Haar poëzie lijkt hierin enigszins op die van Judith Herzberg.

Wijlen J.B. Charles en enkele andere bewonderaars waren zo onder de indruk van Gerlachs gedichten dat ze een speciale prijs in het leven riepen, de J.B. Charlesprijs: een kist met flessen Italiaanse champenoise wijn die Charles (Willem Hendrik Nagel) bij Gerlach thuis liet bezorgen. Tegenstanders had Gerlach ook. Hans Warren stoorde zich aan haar anonimiteit. Hij geloofde bijvoorbeeld niet dat Gerlach een vrouw was en wist zeker dat er een man achter het pseudoniem school – zeker toen in haar volgende bundel Een kopstaand beeld (1983) jongensherinneringen (volgens Warren) voorkwamen. En inderdaad zijn in deze bundel volop herinneringen aan de jeugdjaren aanwezig – alleen wel die van Gerlach zelf. Zoals de titel van deze tweede bundel al aangeeft – een kopstaand beeld is het bekende camera obscura-effect – is fotografie een belangrijke inspiratiebron. In een artikel in Tirade zou Gerlach duidelijk maken wat de betekenis van fotografie is: niet de herinnering zelf en het vastleggen van tijd, maar het produceren van eeuwigheid. Woorden hebben die kracht niet: het zijn immers abstracties die geen zeggingskracht hebben. “Eva Gerlach heeft een toon getroffen die velen diep raakt,” schreef Peter Bekkers in De Held. “Als Donne, Quevedo en Achterberg van grote invloed op haar werk zijn, dan mogen wij die drie heren wel dankbaar zijn.”

Stijl en thematiek veranderden vanaf de bundel Dochter uit 1984, waarin haar te vroeg geboren dochter een grote rol speelt. Deze ontboezemingen hebben wel als gevolg dat geruchten de ronde doen over de tot dan toe anonieme dichteres. Een jaar na het uitkomen voelde Gerlach zich geroepen om voor de eerste keer naar buiten te treden. In een interview met de Haagse Post legde ze uit waarom ze tot nu toe verkoos om achter een pseudoniem schuil te gaan. Niet alleen om privacy-redenen, maar ook vanwege haar literaire opvattingen, zo blijkt. “De biografie is een leugen. De literatuur is werkelijkheid.”

In de daaropvolgende bundel, Domicilie, (1987) zal het thema van dood en leven een nog veel grotere rol krijgen. Haar stijl wordt losser: minder strakke, regelmatig gevormde verzen, meer ruimte voor onregelmatige strofen en elliptische zinnen. Poëzie wordt een plek om te wonen. “Kijk God, hier woon ik, dag en nacht / in vorm en veiligheid gebracht.” Andere teksten bieden eveneens een thuisbasis – van kinderliedjes tot gedichten. In 1988 kreeg zij voor haar hele oeuvre de A. Roland Holstpenning.

De laatste jaren heeft Gerlach af en toe ook kinderboeken (gedichten) geschreven, zoals Hee meneer Eland (1998) en Oog in oog in oog in oog (2001), geïllustreerd door Sieb Posthuma. Over de eerstgenoemde bundel schreef Marjoleine de Vos in NRC Handelsblad: “De gedichten die ze nu voor jongeren heeft geschreven in een bundel met de misleidend kinderlijke titel Hee meneer Eland, lijken zo helder als glas. Maar ze zijn vaak veel geheimzinniger dan ze lijken.” Oog in oog in oog in oog is een bundel kinderpoëzie zonder leestekens, bestaande uit gedichten die veelal over het zoeken naar identiteit gaat. “Dat je niet weet dat je gezien kan worden / Dat je rustig als bloed in jezelf / weer gewoon klopt en meedoet met wat gebeurt / in plaats van dat het steeds zeurt in je zitten mijn spikes goed.” “Hopelijk nemen leerkrachten de tijd om deze gedichten een aantal malen aan de kinderen voor te lezen,” schreef Remco Ekkers in Poëziekrant.

In Wat zoekraakt (1994) blijkt ook Gerlachs fascinatie voor getallen en reeksen. De bundel bevat drie reeksen van tien gedichten, samen goed voor 44 pagina’s. Dat is geen toeval: ook in Dochter zijn de getallen drie, vijf en acht oververtegenwoordigd. Wat zoekraakt gaat over verdwijnen, veranderen en doodgaan. De bundel krijgt de Jan Campertprijs. Niet iedereen is het daar mee eens. Remco Ekkers betoogt in de Leeuwarder Courant dat Gerlach te moeilijk schrijft. Trouws Tom van Deel staat aan de andere zijde: hij vindt wel dat de nieuwe vorm meer bij haar onderwerpen hoort en dat Gerlach met weinig woorden situaties kan beschrijven. “Met voortreffelijk woordgebruik geeft zij schitterende beelden weer.” En Arie van den Berg over haar in 1997 verschenen bundel Niets bestendiger (1998): “De kwaliteit van Gerlachs poëzie is verbazingwekkend constant. Dat is niet het gevolg van haar ruime inspiratiebron, maar heeft zoals bij elke goede dichter te maken met hoe ze onder woorden brengt wat haar omringt. Er wordt scherp gekeken in haar gedichten – met als paradoxale conclusie dat de wereld en het leven daarin onoverzichtelijk zijn.”

In 2000 krijgt Gerlach de PC Hooftprijs voor haar poëzie – een kroon op haar werk. Ze kreeg onderscheiding voor haar complete oeuvre, dat inmiddels uit tien dichtbundels bestaat.

Dit jaar schrijft Eva Gerlach de vierde Gedichtendagbundel Daar ligt het. Deze speciale bundel bevat een tiental nieuwe gedichten en is vanaf 30 januari verkrijgbaar.

Zo

Een hond met ijzeren ogen had mijn hand

in zijn mond genomen. Ik wilde
niet dat dit gebeurde maar was bang
te scheuren als ik mij verzette. Luister
hond, zei ik, laat me los en ik geef je
wat je verlangt. Maar wat hij wilde was alleen
dat ik niet verder ging en met mijn andere hand
hem streelde. Zo. Dagen en nachten in
zijn ogen zag wie van ons sterker scheen.

uit: Daar ligt het (2003)

Werk van Eva Gerlach: Een kopstaand beeld (1983); Dochter (1984); De kracht van verlamming (1988); Wat zoekraakt (1994); Alles is werkelijk hier (1997) Hee meneer Eland (1998); Niets bestendiger (1999); Voorlopig verblijf (1999); Solstitium (2000); De invulbare ruimte (2000); Oog in oog in oog in oog (2001).

met dank aan Het Schrijversnet en Remco Volkers

 

Recent

21 augustus 2019

Een bezielde moeder

13 augustus 2019

Mooie en relevante roman

Literair Nederland - 10 jaar geleden

28 augustus 2009

Recensie 'Gerardje, notities van een Reve-liefhebber' - Theodor Holman
Recensie door Karel Wasch

Het lijkt de laatste tijd iets stiller geworden rond Gerard Reve, de in 2006 overleden volksschrijver, zoals hij zichzelf graag noemde. Deze stilte zal echter in het najaar worden doorbroken door een vuistdikke biografie van Nop Maas. In de tussentijd mogen we genoegen nemen met dit boek van Theodor Holman, die zich al jaren fan noemt van Reve.

Lees meer