4 september 2006

Zadelpijn is geen damesleed

Natuurlijk heb ik ook wel eens wat. Ik ben ook maar een vrouw van vlees en bloed. Geldzorgen, huishouden, fysieke ongemakjes, faalangst, werkdip, zorgen om de huisdieren, ouders en andere familieleden, relatiecrises, bad hairday, premenstruale aandoeningen, het komt allemaal wel eens voorbij in mijn leven. Maar wil ik erover lezen in een roman?

Nee. Godbewareme zeg, nee. Maar daarmee behoor ik tot een minderheid, vrees ik. Mijn generatie is de eerste echte patatgeneratie. Kinderen van babyboomers, geboren in de weke jaren zestig en zeventig, waarbij onze ouders zichzelf en de maatschappij herontdekten, vervolgens in communevorm kindertjes verwekten, en dat waren wij. Welvarende kinderen die in grote luxe en (meestal) sociaal-politiek correct werden grootgebracht. Dit heeft met name voor de meisjes binnen deze generatie gigantische problemen met zich meegebracht.

Lag tot zo’n pakweg vijftig jaar geleden de rol van de vrouw binnen de (verzuilde) maatschappij nog vast, sinds de jaren zestig heeft de vrouw zich door middel van een aantal feministische golven bevrijd van diverse jukken en vormen van onderdrukking. Vrijen met een man, kan dat dan? Dat soort boektitels kon je zomaar aantreffen, neuzend door de boekenkast van je ouders.

Ik vind het mooi dat we bevrijd zijn. Dat we nu zelf mannen mogen uitkiezen en versieren. Maar hoe dan? En niet per se meer hoeven te trouwen als er kindertjes op komst zijn. Al hebben we dan nog steeds wel dat prinsessensyndroom. Dat we er nu voor mogen kiezen of we huisvrouw worden. Of toch maar niet. Dat we dan toch maar carrière gaan maken. Of toch maar een parttime baantje nemen. En dat de kinderen dan naar de crèche gaan. Of toch maar niet. Dat we dan zelfstandig en onafhankelijk zijn. Of eigenlijk niet.
Drie feministische golven en de Opzij ten spijt, is mijn generatie helaas nog niet lekker door geëmancipeerd. We voelen ons hele juffers, maar god, wat zijn we onzeker bij alles wat we doen. Blijkbaar is dit het damesleedsyndroom van deze tijd, want er verschijnen stapels romans, genaamd ‘chicklit’, over vrouwen die van voren niet weten of ze van achteren eerst de was moeten sorteren of aan hun carrière moeten werken of moeten ingaan op de avances van die leuke buurman. Nog erger is het in chicklitjes waarin de dames nog geen man en kinderen hebben. Honderden pagina’s neurotisch gelul over hoe HEM te veroveren, die ene leuke baan te krijgen (en te houden, want o jee, je maakt op de eerste dag gelijk het kopieerapparaat stuk) en wat te dragen als je met je al even neurotische maar o zo hippe vriendinnen cocktails gaat drinken.
Het fenomeen chicklit is natuurlijk een Amerikaanse uitvinding, een hysterische natie par excellence, waar elke huisvrouw desperate is en elke niet-getrouwde vrouw een soort Ally MacBeal. De Nederlandse uitgevers hebben de afgelopen jaren echter niet stilgezeten en je ziet steeds meer boekjes van generatiegenoten met fleurige kaftjes en luchtige achterflaptekstjes over Roos die o zo in de problemen zit want ze is verliefd op haar baas, maar heeft net het kopieerapparaat vast laten lopen. Haar vriendinnen hebben elke week een nieuwe lover, maar zij is nog praktisch maagd. Omdat ze zo onhandig en onzeker is. Alles overkomt haar alsof het volstrekt niet haar eigen verdienste is, want ze kon toch niks?

Zucht. Dan heb ik wel medelijden hoor met mijn moeder, die nog in het holst van de nacht heggen heeft staan snoeien om de fietspaden voor vrouwen veiliger te maken, Turkse vrouwen leerde fietsen en op Internationale vrouwendag taarten stond te bakken. Wat moet zij wel niet denken? Dat haar dochter tot een generatie slampampers behoort die alle kansen heeft gekregen, maar ermee omgaat als een heet broodje uit de oven?

Uit die hele stroom chicklit blijkt vooral één ding: ik behoor tot een generatie vrouwen die haar nieuwe status nog helemaal niet aankan en die ? en dat stoort me het meest ? zichzelf expres klein en onderdanig houdt. Hihi, kijk mij eens onzeker zijn, herkenbaar hè? Kijk me eens leuk niet voor mezelf op durven komen, met bussen deo door de kantoortuin rennen en gelijk ontslag nemen als ik mijn baas aan de haak sla. Jezus, dames, kom op zeg: get a life, en als dat niet wil lukken, val ons er dan niet mee lastig. Ik snak naar een paar jonge schrijfsters die iets durven, die schijt hebben aan de conventie, die het leven weer ont-Rozengeuren en Wodkalimen. Die verder kijken dan hun neurotische neus lang is en iets zinnigs over het leven en wat het met ons doet te zeggen hebben. Zadelpijn heb ik gewoon wel als ik fiets.

Daphne de Heer

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer