Doe Maar Dicht Maar

Meer dan tien jaar geleden zat ik bij Doe Maar Dicht Maar, een festival voor leerlingen in het voortgezet onderwijs. We maakten lesmateriaal omdat we vonden dat de meeste docenten geen idee hadden wat je met poëzie in de klas kon doen. Meestal was het niet meer dan iets nakijkbaars maken: een elfje, een limerick of een haiku godbetert.

Duizenden leerlingen uit het hele land deden mee met de wedstrijd, natuurlijk met veel gedichten over dode opa’s en oma’s, honden en katten. Maar er zat ook veel waardevols tussen die poëzie. Dichters als Anne van Amstel, Erik Solvanger en Rashid Novaire (nu romancier) hebben er hun eerste stappen liggen. Op de feestelijke slotavonden traden ze op naast mensen als Gerrit Kouwenaar, Bart Chabot, Arjen Duinker, Huub van der Lubbe, Frank Boeijen. Poëzie en pop liepen in elkaar over, tussen dichters voor de jeugd (Karel Eykman, Ted van Lieshout bijvoorbeeld) en dichters voor volwassenen bestond geen onderscheid,  van de winnende gedichten van de leerlingen werden clips gemaakt. Tegenwoordig zou je het cross-over noemen. Door andere media wist je een bij voorbaat ongeïnteresseerde groep te betrekken bij de poëzie.

In het boek Ongerijmd succes van Thomas Vaessens wordt Doe Maar Dicht Maar ook een paar keer genoemd. Met een foutieve komma halverwege in de naam. Vaessens vindt die naam heel erg belangrijk, want hij denkt dat de stichting er vooral op uit is om de leerling maar lekker hun gevoel te laten uitstorten. Zelfs als hij een hoofdstukje later de mythes over de leesbevordering onder de loep neemt kan hij het niet nalaten een sneer uit te delen: ‘Overal in het corpus wordt poëzie geassocieerd met het spontaan uitstorten van het emotioneel gemoed (de Stichting Lezen is medefinancier van Doe maar dicht maar).’

Waarom deze lange aanloop? Op grond van de (nog erg voorzichtige) stellingname van Vaessens in het boek ? de ‘officiële’ kritiek zou eens meer nota moeten nemen van de ‘niet-officiële’, door henzelf gecanoniseerde poëzie ? zou je verwachten dat Vaessens juist oog zou hebben voor bewegingen en festivals en sites die morrelen aan het vastgeroeste beeld over poëzie en dichters. Vaessens weet in dit voorbeeld in ieder geval niet waarover hij het heeft.

De inzet van Vaessens is echter bewonderenswaardig. Hij durft wel een iets te poneren. Zo stelt hij in het begin van zijn boek de vraag ‘Wat te denken van een poëzie die zich afspeelt in een autonoom domein waarin eigen normen gelden; een poëzie die zo gespecialiseerd is dat zij zich vooral lijkt te richten op de dichters, de kenners en de andere insiders?’ Hij geeft ook al meteen de keuze uit twee antwoorden (een retorische truc, want er zijn veel meer antwoorden mogelijk)
1 ‘Het ziet er niet best uit, want de poëzie is kennelijk absoluut niet met haar tijd meegegaan.’
2 ‘Prachtig, want in de afgelopen twee eeuwen heeft het professioneel geworden genre zijn niche gevonden en inmiddels doet de poëzie precies wat er van haar verwacht wordt.’
De auteur haast zich te verklaren dat hij tegen de zelfgenoegzaamheid van het tweede standpunt zal ageren. Dat uitgangspunt is in de universitaire wereld een kleine revolutie op zich.

Toch proef ik nog teveel voorzichtigheid in de essays van Vaessens. Zijn hele knipselmap (van tekeningen van Gummbah, onderzoeken, krantenberichtjes, webpaginadiscussies) strooit hij door het boek heen, wat leidt tot een oerwoud aan op zichzelf interessante terzijdes die het zicht op de hoofdlijn van zijn betoog enigszins vertroebelen. En dat hele betoog komt er uiteindelijk wel op neer dat critici en wetenschappers hun blik moeten verruimen en meer aandacht moeten krijgen voor alles wat er gebeurt naast de poëzie die ze kennen.

Dat is mooi. Heel mooi. Maar oproepen alleen is niet genoeg. Juist Vaessens is de aangewezen wetenschapper die de waarde van literatuur op internet (bijvoorbeeld) zou kunnen wegen, die een poetryslam (bijvoorbeeld) bijwoont en daarover een wetenschappelijk artikel kan schrijven. Die stukken moeten nog geschreven worden. De oproep die Vaessens aan critici en wetenschappers doet is vooral een oproep aan hemzelf. Schrijf nu eens een mooi boek met stukken over dichters en hun poëzie die buiten het literaire circuit vallen. Hij heeft in vorige boeken (met Jos Joosten) genoegzaam bewezen dat hij weet wat er speelt. Trek nu de consequenties uit de gedurfde stellingname.

Coen Peppelenbos

Thomas Vaessens: Ongerijmd succes. Uitgeverij Vantilt.

 

Recent

19 september 2018

Omdenken in optima forma

14 september 2018

Een meer van wanhoop

Literair Nederland - 10 jaar geleden

03 oktober 2008

Niet overtuigend maar wel sterk in het laatste deel
Recensie door Menno Hartman

Coen Peppelenbos debuteerde onlangs met de roman Victorie, een roman in drie delen. In het eerste deel wordt Merijn – broer van de hoofdpersoon – gevolgd nadat bekend is geworden dat de hoofdpersoon, Victor, dood is.

Het tweede deel van de roman gaat over Sarah. We volgen er de gedachten van een leraar Engels, die in zijn huis dit meisje vasthoudt, het vriendinnetje van Merijn en waarin duidelijk wordt dat deze Ten Haaf, Merijn gedood heeft door een grote steen naar hem te gooien, nadat hij hem met een camera had gezien.

Lees meer