De koude slijtplek van je dromen

‘Die hangt weer voor een jaar’ , moet Aafje Heynis vaak verzucht hebben na het wegsterven van de laatste klanken van de Matthäus Passion op Goede Vrijdag. Het slotkoor heeft dan net geklonken:
Wir setzen uns mit Tränen nieder
Und rufen dir im Grabe zu: Ruhe sanfte ! sanfte Ruh’.
Ruht ihr ausgesog’nen Glieder,
Ruhet sanfte, ruhet Wohl!
Eur Grab und Leichenstein
Soll dem ängstlichen Gewissen
Ein bequemes Ruhekissen
Und der Seele Ruhstatt sein.
Höchst vergnügt schlummern da die Augen ein.
Wir setzen uns mit Tränen nieder
Und rufen dir im Grabe zu:
Ruhe sanfte ! sanfte Ruh’.

Het is een vreemde wens: rust zacht, waar gevoeglijk aangenomen mag worden dat de opstanding niet ver meer is. En ook Aafje Heynis acht de status quo wat al te duurzaam.

Zacht te rusten is hier wellicht misplaatst, bij doden die geen onmiddellijke opstanding hoeven te verwachten is de wens nog vreemder, meent ook Gerrit Achterberg:

[…]

En bij het graf besteed
geen woord aan zijnen vree.
Hij neemt ons nu voor eeuwig beet.
’t Is water in de zee.

(Uit: ‘Graflegging van een oud vriend’ in: Verzamelde gedichten, Querido, 1984)

Nu is het werk van Achterberg, heel anders dan in dit betrekkelijk luchtige vers, een bijna voortdurend aan de ingang van het graf staan. Voor een goed begrip van wat bijvoorbeeld Mattheus gedacht en gevoeld zou kunnen hebben na de kruisafname, en tot het moment van opstanding, volstaat al bijna om door het verzameld werk van Achterberg te bladeren, en haast voortdurend daar precies verwoord te zien: Wir setzen uns mit Tränen nieder, Und rufen dir im Grabe zu.

Om de secularisatie tegen te gaan had men dus een liederencyclus moeten componeren op enkele gedichten van Achterberg. Is dat al gebeurd? Het is wat koeler en wanhopiger dan

Hij leed meer dan waar men om schreidt of gilt.
Daarom heb ik het vers kalm willen schrijven,
Maar met een hart dat van zijn wonden bloedt ?

Want ik zie zijn gestalte en zijn verstild
Gelaat, als hij onder de donkere olijven
Den beker neemt, zweetend druppelen bloed -.

Waar Nijhoff zijn ‘Het groote lijden’ mee besluit. De druppels die hier heel Melgibsoniaans van de bladzijden druipen heeft J.H. Leopold meer weggepoetst in tranen:

Daar was weening in mijn beî oogen
en in mijn ziel een bleek verwelken
en in de leegte hing getogen
treuren, een droefheid…
Welke, welke?

Het zal wel wezen het zelfde weenen,
dat heeft geknakt al de blijzijns kelken,
bangheid om een verloren ééne
dier zielslievelingen.
Welke, welke?

(uit: ‘Zes Christusverzen’ in: Verzameld Werk, G.A. van Oorschot, 1985))

Net als bij Achterberg wordt achter de dood, in het verdriet naar een geliefde gezocht, bij Leopold nog wat nondescripter dan bij Achterberg. Goede Vrijdag in de poëzie als het beeld bij uitstek van de verloren geliefde. Maar ook hier en daar enige wrevel in de Nederlandse letteren over het bovenmenselijk lijden dat alle lijden bij voorbaat overbodig maakt:

[…]

Je wonden waren de ogen waardoor ik de wereld bekeek,
Want ik, een ongelovige, geloofde dat onmenselijk gebaar,
Die open armen vastgespijkerd om me los te maken.
je dood pakte mijn schreeuwen af, en stal mijn dood.

(uit: ‘Goede Vrijdag’ in: Hart tegen hart Leonard Nolens, Querido, 1991)

Een terugkerende wrevel ook nog, want Jezus is de Persephone van de Christelijke mythologie, met zijn ontwaken begon gisteren gewoon weer een heel nieuw jaar -een lente bovendien. Een ontwaken, een letterlijke wederopstanding -op het moment van terugkeer zelf- waar ik geen gedicht van ken, al vermoed ik dat ze er zijn, maar in de donkere grot, waarvoor de steen geschoven was (Und Joseph nahm den Leib und wickelde ihn in ein’ rein’ Leinwand. Und legte ihn in sein eigen neu’ Grab, welches er hatt lassen in einen Fels hauen, und Wälzete einen grossen Stein vor die Tür des Grabes und ging davon). Er moet tenslotte een exact moment van ontwaken zijn, een eerste voelen van terugkeer in het hart van Jezus, het bewijs dat hij de tempel zijns lichaams in drie dagen wederopbouwen kon. Een moment dat het bloed hem in de aderen terugvloeide, het ogenblik dat het welgemeende ‘rust zacht’ van de achterblijvers alleen maar een ‘goedenacht’ had blijken te zijn, ja, dat moment, dat op deze tweede paasmorgen nog maar even geleden is:

Ochtendpijn

Ochtendpijn. De terugkeer
in het eigen lijf, bang
uit de foetushouding rollend
retour van nacht- en moederwarmte

Vergeet dit moment niet.

Drink hete koffie,
hartmassage op de koude
slijtplek van je dromen
en uiteindelijk besef.

Loop maar en lach. Val
soms in blind vertrouwen terug
in kinderdromen.

Ruimte en tijd voorgoed dichtbij
en schaduwrijk.
Verbijt met mij de ochtendpijn.

Dan rennen wij hand in hand
en trots nadenkend rond
op de rots van ons geluk.

Uit: Blauwe plekken Hilbrand Rozema, Uitgeverij De Arbeiderspers, 2003

Levi Entfield

Recent

9 december 2018

Mussen met longen als vliespinda’s

Over 'Wat huid is' van Peter du Gardijn
5 december 2018

Gevoelloos ronddwalen aan de zelfkant van Kopenhagen

Over 'Sus' van Jonas T. Bengtsson
4 december 2018

Verglijden van de tijd

Over 'Vogels, vlinders en andere vliegers' van Hans van Pinxteren
3 december 2018

Er was eens ...

Over 'Venushaar' van Michaïl Sjisjkin
30 november 2018

Een verloren generatie in een surrealistisch landschap

Over 'Vorosjylovhrad' van Serhi Zjadan