5 januari 2004

Op een nadag de verte terugzien

Het ultieme goede voornemen is alles in het nieuwe jaar beter te doen. Je zou dat toch minstens een poosje vol moeten kunnen houden. Het leven in de eerste dagen van januari zou eenvoudig mooier en beter zijn dan op andere dagen van het jaar. Beter dan in april. Men zou bijvoorbeeld niet zo gemeen lachen om de blurb op de omslag van totaal witte kamer van Kouwenaar. Er wordt een stukje geciteerd van wat Piet Gerbrandy schreef in de Volkskrant: ‘Geboorte en dood, avond en kamer, mes en vork, bloed en taal, dat zijn de woorden waarom het bij Gerrit Kouwenaar zou gaan ? en waarom het misschien draait in alle goede poëzie.’ Een uitsnede die in zijn onnozelheid natuurlijk het artikel van Gerbrandy geen recht doet, maar al helemaal misplaatst is als aanbeveling bij zo’n weergaloze bundel. Maar dat geeft niet, want we doen alles beter, en keren het omslag weer naar de tafel, de zwarte woorden op het wit papier naar het gezicht. En lezen…

Nadag

Het moest er eenmaal van komen dat men alles
al kende, dat weer overal gras mokte
waar het ontzegd was, dat de mondige heg
het uitzicht benam, de bijl moest geslepen

dat men op een nadag de verte terugzag
dat de verte nabijer dan ooit was
dat men het jaar van de dag was vergeten
dat het huis zich verwoond en ontvreemd had

dat men in zijn ingewand inbrak, het bed
ontslapen gereed lag, de kamer geleegd was
zich nog eenmaal voorgoed voor het eerst zag

en dat men het koud had en vlees at
en dat het vlees niet meer smaakte en het vuur
zich ontstak en de muren zich warmden ?

Een nogal stevige opmaat voor een bundel die je niet eenvoudig uit je hoofd krijgt. Het goede voornemen het in dit nieuwe jaar beter te gaan doen legt het hiermee maar gelijk af tegen de krachtig opgedrongen vermoeidheid van het gevoel dat je alles al kent, en de onafwendbaarheid van dat gevoel. Dat je op een januaridag naar buiten kijkt en enerzijds mokkend iel gras ziet, en anderzijds een schreeuwerige heg die je zelfs de hoop op een uitzicht ontzegt. Dit is wat je misschien ‘nadagspoëzie’ zou kunnen noemen. De poëzie uit het laatste deel van iemands leven waarin teruggezien wordt op dat leven, maar waarbij ook op dat terugzien zelf gereflecteerd wordt.

En van ‘Über den Wolken’ waar de vrijheid wel grenzeloos moet zijn klinkt het:

Zoals ik vanzelf moet ademen
zoals ik het kloppen van mijn hart
maar zelden voel en mijn gezicht
zelfs in de spiegel nauwelijks zie
zo kan ik de lange liefde, die
ik niet meer heb maar ben geworden
zelden meer, lieveling, verwoorden

Vasalis en Kouwenaar zijn geen dichters die men makkelijk op een hoop gooit. Maar toch zijn er in De oude kustlijn en in totaal witte kamer voortdurend sporen van een gelijksoortige gedachte:

Het enige dat oud lijkt is dit ogenblik
want het verleden ? ik ? is jonger, jong.
De toekomst die mij niet meer toekomt
is wonderbaarlijk vers en licht
en straalt en dampt van jeugd. Als de zomer-
ochtend vroeg de zee.

Wordt het tijd voor een bloemlezing nadagspoëzie? Kan je een gelijksoortige gedachte lezen in deze twee formuleringen?

Het moest er eenmaal van komen dat men alles
al kende (…)
dat men op een nadag de verte terugzag
dat de verte nabijer dan ooit was

en

Het enige dat oud lijkt is dit ogenblik (…)
De toekomst die mij niet meer toekomt
is wonderbaarlijk vers en licht

Maar in de bundel van Kouwenaar is een boel meer, en vooral andersoortigs te lezen. Niet alleen deze nadagsoverpeizing. Hoe waardevol ook.

Iets anders, of eerder: iemand anders, Philip Larkin:

‘Sneeuw valt op een zondag in april’

Sneeuw valt op een zondag in april
En maakt de pruimenbloesem groen, niet wit.
Met een uur of twee is het weg. Het toeval wil
Dat ik die tijd met de verhuizing zit,

Van kast naar kast, van de voorraad door jou
Gemaakte jam uit fruit van diezelfde bomen:
Vijf partijen ? een honderd pond algauw ?
Meer dan genoeg om de hele zomer die gaat komen

Te serveren bij de thee, waar je niet meer aan meedoet.
Achter het glas, onder het cellofaan, resteren
jouw laatste zomerdagen ? zinloos en zoet,
En om niet meer terug te keren.

Een leven als gekonfijte zomerdagen achter glas bewaard, dat is niet zozeer nadagspoëzie, maar meer een goed beeld van wat het tragische aan terugzien is, hoezeer in verwondering, of op wat voor rijk leven ook.

In de toekomst gaan we het beter doen. Bijvoorbeeld een jaar beginnen met vooruitkijken. Maar vooruitkijken, dat moeten de anderen maar doen.

Menno Hartman

Gerrit Kouwenaar totaal witte kamer Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam, 2003.
Philip Larkin Sneeuw valt op een zondag in aprilVertaling: Harry G. de Vries. Wagner & Van Santen, 2003.
M. Vasalis De oude Kustlijn Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2002.

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer