2 mei 2016

De zomer haalt nog één keer uit – Chrétien Breukers

Zwelgend hart

Recensie door André van Dijk

Liefdesverdriet is een ongesteldheid, onvergelijkbaar met andere kwalen van het menselijk hart. Een heftige, zelfmedelijdende golf van eigenwaan overspoelt onze gewoonlijk medemenselijke houding en zorgt voor een vervreemding van alles wat neigt naar helderheid en relativering. Dit moet bij schrijver/dichter Chrétien Breukers (1965) met factor twee vermenigvuldigd worden, gezien de mededeling op de achterflap van zijn jongste bundel De zomer haalt nog één keer uit. Breukers kijkt terug op maar liefst twee liefdes die voorbijgingen. Of dit feit een krachtiger impuls zou moeten geven aan de impact van zijn verdriet, en mogelijk aan de kwaliteit van de hier gepubliceerde gedichten, is de vraag die zich meteen opdringt. Wel is vast te stellen dat twee voorbije liefdes een grotere stroom aan zwelgende woorden teweegbrengen dan slechts een enkele.

Het eerste gedicht uit deze bundel handelt over de verse herinnering aan het gezamenlijk liefdesspel. Op een bijtende toon haalt Breukers uit, de intimiteit vermorzelend onder de woorden:

Hoe zal ik je beminnen? Haal ik de harde hand
van stal of heb je liever eerst muziek en wijn
en ruis van nepsatijnen lakens?

Zal ik een bok doen toebereiden
in zijn eigen melk? Mijn hoeven zet ik
in je vlees. Mijn woede reageer ik
af op officieren uit mijn leger.

Dit is een boosheid die het ergste doet verwachten. Gelukkig gaat het er in de volgende verzen wat rustiger aan toe. De dichter mijmert over de eerste ontmoeting en vindt de juiste woorden om zijn passie te beschrijven: ‘Ik gromde van geluk’. Om te vervolgen met een wat uitgekauwde banketbakkersmetafoor: ‘Ik kneedde mij/ een lichaam naar gelijkenis. Ik tekende je ledematen/ in het deeg. Daar was je dan’.

Breukers weet met zijn korte, afgeknepen zinnetjes een gevoelige wereld te boetseren. Liefde, teleurstelling en eenzaamheid worden vermengd met spontane observaties uit het dagelijks leven: een klussende buurman, een voorbijrijdende vuilniswagen of wandelend door de stad Utrecht. De samensmelting van die externe alledaagsheid met de persoonlijke zielenpijn vormt een goede basis voor deze poëzie maar wordt na een tiental gedichten ook wat clichématig. Er wordt doorlopend gereflecteerd op wat de dichter zelf voelt en ziet, er is geen sprake van een oorzaak, of een aanleiding, die tot deze toestand heeft geleid. Nog maar eens een gevoelige herinnering:

Ochtend. De haag der dagen groeit per centimeter.
De zon is grijs. De kade wordt gebezemd door het licht.
De eerste auto’s maken geen geluid. Ik trek mijn kleren uit.
Je slaapt. Ik ga de kamer in en sla het dekbed iets opzij.

Mooi verwoord, hoewel de worsteling van de dichter langzamerhand wel erg overheersend wordt. Breukers laat met doeltreffende zinnen zijn verdriet de vrije loop, maar wil ook niet helemaal toegeven aan die treurige gesteldheid. Er is verzet, hij probeert het weg te duwen, het zit hem hoog dat hij in deze situatie is gemanoeuvreerd:

Soms graaft het zich een weg door hersenstam en ruggenmerg,
en ik, veel eenzamer dan God, doe net alsof het er niet is.

Het is er niet. Het is er bij mijn weten nooit geweest. Nog even
en ik hef op doordeweekse dagen tol op zaken van het hart.

De herinnering aan de liefde én het besef dat hij slachtoffer van zijn eigen pijn is, wordt hem te veel (‘veeg het met één beweging van je hand bij mij vandaan’). Dan schiet hij uit zijn slof en vervalt in een rancuneuze stemming die het gemis omzet in regelrechte woede: ‘Mijn haat maakt groene bliksemflitsen in de lucht’. Het wordt moeilijk om de lijdende dichter te blijven volgen, zijn taal is afgepast en vol beeldende waarnemingen, maar de uitwerking van zijn gedichten brengt steeds meer ongemak. ‘Geef nooit het hele hart, dat is dan weg’ neemt hij zichzelf voor.

Tegen het einde van de bundel ziet Breukers, in een nostalgische bespiegeling van ‘mijn oude buurt’, zijn dochters in de verte fietsen. Het daaropvolgende vers is een niet mis te verstane boodschap aan het adres van de moeder van zijn kinderen:

Voed mijn dochters op en lever hellevegen af.
Pook het vuur dat in hen sluimert op. Het kan,

het lukt je wel. Je moederhaat als aanmaakblok,
je vrouwentoorn als lucifer. Je minnaressenhoon.

Het is niet de zomer, maar Chrétien Breukers zelf die nog één keer uithaalt. Op een steeds geforceerder wordende toon getuigt hij van zijn liefde, gemis, verontwaardiging en woede. Dat hij daarbij mooie plaatjes uit zijn omgeving en zijn herinnering schetst, is slechts een verzachtende omstandigheid: zonder enige vorm van introspectie wordt de wereld beschouwd, en vooral zijn eigen positie daarin. Hier is een boze dichter aan het woord.

 

De zomer haalt nog één keer uit
Chrétien Breukers
Verschenen bij: Marmer Boeken BV
ISBN: 9789460682933
64 pagina's
Prijs: € 15,00

Meer van André van Dijk:

10 mei 2017

Poëzie als vette klei en onomwonden vruchtbaar

Over 'Splendor' van H.C. ten Berge
6 maart 2017

Observaties en prozaschetsen van een groot dichteres

Over 'Er was er eens en er was er eens niet' van Judith Herzberg

Recent

20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit
16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken
13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Over 'Het intieme vreemde' van Jente Jong

Verwant

2 mei 2016

Sleutelroman met opengebroken sloten

Over 'Lot ' van Chrétien Breukers
2 mei 2016

Grensverleggende poëzie en poëtica

Over 'Netwerk in eclips' van Chrétien Breukers
2 mei 2016

Moderne poëzie als baken tegen de moderniteit

Over '25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005' van Chrétien Breukers