15 december 2016

Zonder gekheid

Door Els van Swol

Mijn moeder hield van Buziau, mijn vader van Chaplin. Ze zouden hun hart hebben opgehaald aan een kleine tentoonstelling over de eerste in Museum Rijswijk, en aan de musical Chaplin. En wellicht ook met bewondering hebben gesproken over de Syrische clown Anas al-Basha uit Aleppo, hoofd van ‘Space for hope’, die onlangs bij een bomaanslag werd gedood.

In het fraaie boekje dat ter gelegenheid van de tentoonstelling verscheen, staat als laatste zin: ‘Zij zijn alleen maar zichzelf. Tijdloos.’ Een zin die blijft haken. Gaven de komieken ook niet allebei een tijdsbeeld van de periode voor de Tweede Wereldoorlog? Het verschil zit hem er misschien in dat Buziau ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ opriep om de Franse schrijver Michel Quint aan te halen, die overigens een schitterende novelle over een clown schreef: De tuinen van de herinnering. En dat Chaplin, nog steeds volgens Quint, ‘vooral van liefde stierf.’

Op de één of andere manier bestond er eenzelfde gevoel van verstandhouding tussen mijn moeder en Buziau als tussen de ik-figuur en een clown in het verhaal van Quint. Een verstandhouding over zowel het uiterlijk als het innerlijk van Buziau. Hij had de borstelige wenkbrauwen die mijn vader van nature ook had. Wee je gebeente als de kapper ook maar opperde of hij deze maar eens wat zou uitdunnen. Buziau had net als mijn moeder, en de vader van de ik-figuur bij Quint, een enorme klap van de oorlog opgelopen. Na de oorlog trad Buziau niet meer op. Het ging gewoon niet meer.

Volgens Mischa Andriessen in een al even fraai (en gratis) boekje bij de tentoonstelling How the world occurs van Craigie Horsfield in het Centraal Museum Utrecht (nog t/m 5 februari 2017), lijken circus en variété, die nogal eens in zijn werk opduiken, ‘relikiwieën uit het verleden, door de tijd ingehaald.’ Dus ze zouden niets tijdloos hebben, zoals het boekje in Rijswijk meende. Terecht, schrijft Andriessen, heeft Horsfield zich echter steeds weer verzet tegen dat idee. Aan de ene kant zijn circus en variété volgens Horsfield ‘moderne rituelen’ en aan de andere kant ‘een waarschuwing voor achteloosheid.’

Dat laatste rijmt dan weer op het slot van De tuinen van de herinnering van Michel Quint: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al diegenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt pogen te wekken. Ik zal ook proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid…!’

Misschien heeft Chaplin voortgezet waar Buziau na de oorlog niet meer toe in staat was. Niet door de tijd ingehaald, maar als doorgaande waarschuwing voor achteloosheid. En ook nog eens tijdloos. Tot op de dag van vandaag. Zeker tot op de dag van vandaag.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer