5 augustus 2015

Zomerrubriek 2015 – De grote, witte monstervis

door Lodewijk Brunt

De afgelopen paar jaar heb ik gelukkig af en toe tijd kunnen besteden aan het (her-)lezen van grote auteurs en gevestigde literatuur. Meestal vrijblijvend, gewoon omdat ik er zin in had, soms in het kader van de leesclub waar ik lid van ben; die is uit zichzelf gericht op de ‘klassieken’.  Philip Roth zweeft door mijn geest, William Faulkner (As I Lay Dying), Thomas Mann (Toverberg), Anita Desai, Alfred Döblin, Alice Munro, Salman Rushdie, George Eliot, Anthony Trollope, Daphne Du Maurier, James Salter – in volstrekt willekeurige volgorde. Soms dacht ik: ‘dit is het allerbeste wat ik ooit gelezen heb’, maar dat herhaalde zich vaak. Toen ik een poosje geleden aan Herman Melville’s Moby-Dick begonnen was, dacht ik het opnieuw. Ik zei het tegen een vriendin. Ze herinnerde zich dat ik het tijdens het allereerste gesprek dat we voerden – ruim dertig jaar geleden – dat boek ook al had aangeprezen. Maar mijn liefde voor Melville dateert al van eerder: mijn middelbare schooldagen en studententijd. Ik heb Melville van kaft tot kaft herlezen – in plaats van fragmenten, wat verleidelijk is. Het boek bestaat uit veel korte hoofdstukken – honderdvijfendertig om precies te zijn, verdeeld over bijna zeshonderd bladzijden – met intrigerende, aantrekkelijke titels: Ahab, The Pipe, The Specksynder, The Quarter-Deck, Stubb’s Supper, The Hyena, The Great Heidelburgh Tun, The Pequod Meets The Delight. Voor de zoveelste keer viel ik voor de onnavolgbare vertelkunst van Melville, zijn vlijmscherpe stijl en de hartstochtelijke betrokkenheid bij zijn onderwerp: de Amerikaanse walvisvaart uit de eerste helft van de negentiende eeuw, gesitueerd in Nantucket, voor de Noordoostelijke kust van de Verenigde Staten, vlakbij Martha’s Vineyard – onder Cape Cod. Tegenwoordig beter bekend als luxe oord voor de rijken en machtigen der aarde.

Moby-Dick is een ‘mannenboek’, dat realiseerde Melville zich maar al te goed toen hij het geschreven had, hij ontmoedigde de vrouwen uit zijn omgeving ten sterkste om het te lezen: ‘Niets voor jou’. Het boek kwam uit in 1851. De Amerikaanse samenleving veranderde snel, de frontier society van de eerste generaties kolonisten, vrijbuiters en pelsjagers schoof steeds verder op naar het Westen en maakte plaats voor een gevestigd bestaan. Na de avonturiers kwamen de onderwijzeressen en predikanten als de voorhoede van een beschavingsproces. Op grote schaal werden boeken verspreid met stichtelijke en zoetelijke lectuur, geschreven door vrouwen, gelezen door vrouwen. Boeken die tegenwoordig niemand meer kent, niemand meer wil lezen. Mannen lazen helemaal niet, hooguit misschien de Bijbel — er is wat dit betreft sindsdien nog niet veel veranderd. Het ging in de vrouwenliteratuur om de propaganda van huiselijke waarden: orde, vlijt, zedelijkheid, vroomheid. Sommige historici spreken van een sentimentele revolutie. Tegenover de onherbergzaamheid van de openbare sfeer – het buitenleven, de straat, de fabriek, de politiek – kwam de geborgenheid van huis en haard te staan.

Melville’s boek moet een schok hebben veroorzaakt, liever gezegd: een schokje, want het werd nauwelijks opgemerkt, besproken of verkocht, laat staan gelezen. In Moby-Dick komen geen vrouwen voor, hooguit in de marge, als een soort behang – zoals in de korte beschrijving van de kerkdienst die scheepsmaat Ishmael en harpoenier Queequeg in New Bedford bijwonen voordat ze zich aanmonsteren. De muren van het kerkje zijn beslagen met gedenkplaten voor verdronken zeelieden, in de banken zitten (onbestorven) weduwen en kinderen. The women of New Bedford, peinst Ishmael, they bloom like their own red roses. But red roses only bloom in summer

Van stichtelijkheid of zoetigheid is geen spoor te ontdekken in Moby-Dick. Melville beschrijft tot in de details hoe de walvisvaart is georganiseerd en manifesteert zich als de documentalist van de kleur wit en de Linnaeus van de cetologie. De lezer wordt met zijn neus gedrukt op het echte, rauwe leven: in deze meedogenloze wereld moet het dagelijkse brood worden verdiend. Karig, de beloning is minimaal – slavenwerk. De hele bemanning op een kluitje, drie tot vier jaar onderweg, zwervend over de wereldzeeën, bitter koud of juist verstikkend heet, regen en wind. Op jacht naar reusachtige walvissen in kleine sloepjes, met harpoeniers die hun speren van korte afstand raak moeten zien te gooien. Overal hongerige haaien. De walvisvaart trekt goddeloos uitschot, gelukzoekers en desperado’s aan. Melville zelf deserteerde op zijn eerste tocht en bleef maandenlang hangen op een eilandje in de Zuidzee. Het schip waar Ishmael op vaart, de Pequod, heeft een kannibaal, een zwarte Afrikaan, een Indiaan en een Parsi als harpoeniers en onder de rest van de bemanning vind je hindoestanen, mohammedanen, animisten, godloochenaars en een enkele christen – uit alle delen van de wereld. Chinezen, Europeanen, Indiërs, Indonesiërs. Harpoenier Queequeg is van top tot teen getatoeëerd en heeft op zijn kale schedel alleen een staartje, hij verdient wat extra geld door de verkoop van eigenhandig gesnelde koppen. Als hij aanmonstert, zou hij zich eigenlijk moeten laten bekeren. Nee, zegt een van de reders beslist, niet doen; als je van een kannibaal een vrome zeeman maakt, verliest hij zijn ziel: … it takes the shark out of him. In dit bonte gezelschap bevinden zich ook de specialisten, die door Melville zorgvuldig voor het voetlicht worden gehaald: de scheepstimmerman, de smid, de kok. Je weet hoe de betalingen tot stand komen, ieder krijgt een deel van de netto opbrengst aan walvistraan, Ishmael één/zeventigste, de harpoeniers wat meer. En allemaal varen ze onder het schrikbewind van kapitein Ahab, een gevaarlijke gek die alles en iedereen opoffert aan zijn obsessie – de fanatieke jacht op een witte potvis die hem ooit een been zou hebben afgebeten.

Het hoeft niet te verbazen dat Melville ambivalent stond tegenover de literatuur van zijn dagen: je moest de werkelijkheid laten zien zoals deze was, vond hij. De maatschappij is verankerd in een harde strijd om het bestaan; in de gangbare ‘vrouwenliteratuur’ werd dat verdoezeld. Vrouwen weten niets van de economie, het interesseert ze niet, hun motto is ‘geld maakt niet gelukkig’. Maar uit sprookjes en kinderversjes word je niets wijzer over de werkelijkheid, het is letterlijk en figuurlijk…  fictie. De fictieve elementen van Moby-Dick dienen om het documentaire karakter extra reliëf te bieden: de werkelijkheid staat niet in dienst van de fictie, maar de fictie staat in dienst van de werkelijkheid. Ruim honderd jaar later – in de jaren 1960 – stond er opnieuw een Amerikaanse auteur op die deze gedachte als grondslag voor zijn schrijverschap koos: Truman Capote. In zijn In Cold Blood gebruikte hij literaire middelen om een gruwelijke roofmoord levensecht te reconstrueren. Overigens is het verhaal van Moby-Dick magistraal. De sfeer van dreiging, de Bijbelse beelden, de profetische tekens en gesprekken, de beschrijvingen van de zee. Adembenemend, spannend tot aan de laatste zin. Huiveringwekkend ook. Pas bij de eerste jacht op een walvis blijkt dat kapitein Ahab een groepje verstekelingen aan boord heeft gesmokkeld. Als de sloep van de kapitein wordt neergelaten, ziet de bemanning verbijsterd toe dat hij zijn eigen harpoenier heeft meegenomen, de mysterieuze Parsi Fedallah, een vuuraanbidder, en zijn louche crew. De mottige profeet Elijah had er al voor gewaarschuwd op de kade van Nantucket…

Fedallah is de Duivel, dat lijdt geen twijfel; in de relatie tussen Ahab en Fedallah wordt de mythe van Dr. Faust belichaamd. Een duister, luguber verbond om Moby Dick te pakken te krijgen. Drie dagen duurt de jacht op Moby Dick als Ahab hem eindelijk heeft opgespoord. De potvis gaat zelf het gevecht niet aan, integendeel: Ahab is de agressor. Fedallah is het eerste slachtoffer, hij wordt door de grote vis mee de diepte ingetrokken, hopeloos verward in de touwen van zijn eigen harpoen. Uiteindelijk blijft alleen Ishmael over, drijvend op de doodskist van zijn vriend Queequeg en opgepikt door het walvisschip Rachel – de enige ‘vrouw’ die in het verhaal een rol speelt. De kapitein van Rachel is op zoek naar zijn zoons die op zee vermist zijn. Inderdaad… niets word je bespaard door Melville. Eén vraag blijft branden, ook nadat ik het boek nu voor de zoveelste keer gelezen heb: waar staat de grote witte potvis voor? Waarvan is hij het symbool? God? Natuur? Succes? Eer? Eeuwige roem? Verlossing? Er zit denk ik niets anders op: opnieuw herlezen!

noot:
Melville’s boek heeft als titel Moby-Dick, mét een verbindingsstreepje, terwijl de hoofdpersoon – de witte potvis – Moby Dick heet, zónder verbindingsstreepje. Ik heb dit gebruik gevolgd in mijn stuk. In het recente Between You and Me. Confessions of a Comma Queen, zet Mary Norris, copy editor van The New Yorker, uiteen wat de achtergrond van dit raadsel is (Chapter 6: Who Put the Hyphen in Moby-Dick?).

Recent

25 juli 2017

Een Limburgse Rémi

21 juli 2017

Vast in het ijs

19 juli 2017

Kijk, lees en geniet!

17 juli 2017

Terug naar vroeger

Literair Nederland - 10 jaar geleden

30 juli 2007

De twaalfjarige Alice Winston woont met haar ouders in een afgelegen huis in Desert Valley. Haar moeder is na de geboorte van Alice in bed gekorpen en komt er zelden meer uit. Haar vader probeert met veel pijn en moeite een paardenfokkerij draaiende te houden. Zus Nona, de lieveling van haar vader, is er een half jaar geleden vandoor gegaan met een rodeorijder.

Alice is een stil en teruggetrokken meisje, erg eenzaam ook, ze heeft geen vriendinnen. Ze mist haar zus verschrikkelijk.

"Ik wilde Valerie vertellen dat mijn zus ons niet belde, dat ze haast nooit schreef, dat ik me 's nachts in de stille donkere uren probeerde voor te stellen wat er in haar leven gebeurde, wat er zo opwindend en belangrijk was dat ze ons helemaal vergat en ons door het leven liet zwalken zonder haar."

Lees meer