18 juli 2016

En de boer, hij ploegde voort

Rob van Dam

Een vriend kwam langs met een boek dat hij had meegenomen uit zo’n kastje waarin boeken te vondeling worden gelegd. Een vooroorlogse linnen band met ouderdomsvlekken en een plaatje op het voorplat van een boer die, gadegeslagen door de zon en Gods alziend oog, zaaiend over de akker gaat. BoerenpsalmBoerenpsalm heet het en het is van Felix Timmermans. Mijn vriend was enthousiast. Ik had er nog nooit van gehoord.

Wat een ontdekking! De taal is van een dusdanige barokke, Vlaamse pracht dat je om de zin wel een onbekend woord tegenkomt. Maar ik hou van het Afrikaans van Elisabeth Eybers en het West-Vlaams van Guido Gezelle en het zeventiende-eeuws van Focquenbroch en ook hier smaakte de taal me uitstekend.

Wat me voor het boek won, waren de vorm en de moraal.
Het hele boek door is de hoofdpersoon, de boer Wortel, aan het woord en hij richt zich daarbij tot niemand minder dan God. Zijn verhaal is biecht en gebed tegelijk.
Niet dat de roman kwezelig en halfzacht is. Het verhaal is doortrokken van een ‘primitieve’ vroomheid en die is aards en weerbarstig en allesbehalve zoetsappig (‘vroom’ betekende vroeger ook ‘flink’ en zelfs ‘dapper’).

Het verhaal is eenvoudig. Een man vertelt van zijn volwassen leven en de strijd om een zeer armoedig bestaan. Hij heeft een koe, een paard, een varken voor de slacht en een lapje grond. Hij trouwt en krijgt kinderen. Later is er een tweede vrouw. Nooit is het werk gedaan, behalve in de winter. Dan gaat hij stropen en snijdt hij aan een houten Christusbeeld, jaar in jaar uit. De oogst valt soms mee en soms tegen. De adellijke dame op het landgoed strijkt een flink deel van de opbrengsten op. Kinderen groeien op of sterven. Sommigen van hen verdwijnen naar een verhoopt beter leven, anderen blijven in het dorp. Er zijn de verleidingen des vlezes en de botsingen met de wet. Er zijn de kerk en de pastoor en er is de povere troost van het (bij)geloof. Hij wordt ouder en nog armer en dan doet hij een ontdekking: voor geen goud had hij een ander leven gehad willen hebben. Hij dankt God.

Het boek begint als volgt: ‘Ik ben maar een arme boer en al heb ik veel miserie gehad, toch is het boerenleven het schoonste leven dat er bestaat. Ik wil nog met geenen koning verwisselen. God, ik dank U dat gij van mij een boer hebt gemaakt!’

En zo eindigt het: ‘Ik dank U met mijn heel en hevig hart! Uit heel de volheid van mijn ziel! En laat Uwen Wortel als tegendank nog vele jaren op Uw veld (dat spijtig, ook van ’t kasteel is) in het zweet zijns aanschijns mogen werken! Dank op voorhand!’

Tussen opening en slot voltrekt zich het leven van een man die bijkans vermorzeld wordt door het bestaan en aan het eind amper nog te onderscheiden is van de grond die hij bewerkt.
Het boek is ook een lofzang op de arbeid, de arbeid die én vrucht draagt én uitput.

 

Krijg je met een verhaal als dit de handen nog op elkaar? Het is wars van ‘volg je passie’, ‘ontdek je identiteit’ en ‘neem de regie over je eigen leven’. Die Wortel, dat is toch zeker een uit de klei getrokken halve wilde, een boerenkinkel?
Wat het boek zo indrukwekkend maakt, is dat in dit verhaal, dat in zijn uiterlijkheden, en voor een moderne lezer, eigenlijk uit louter achterlijkheid lijkt te bestaan, een grote wijsheid wordt beleden: aanvaard je bestaan.
Dat wordt gedemonstreerd aan een leven dat tegen het eind van het boek bijna voorbij is, of beter gezegd: voltooid. Wortel heeft zijn levensinzicht veroverd op het bestaan en op zichzelf. Hij is een held, klaar voor het einde zoals dat wordt bezongen in ‘The Long Day Closes‘ van Arthur Sullivan:

Go to the dreamless bed
Where grief reposes;
Thy book of toil is read,
The long day closes.

Dit is een christelijk boek, maar allesbehalve wereldvreemd (christelijke lezers zullen zeggen: ‘en dús niet wereldvreemd’). Het toont de ‘condition humaine’ die u, ik, wij allemaal te verduren hebben. En het toont een moeilijke en superieure levensinstelling: Amor Fati. Zeg maar ‘ja’ tegen het leven.

Bloed en rozen
Ik ben eens op zoek gegaan. Het toeval wil dat in het magistrale Bloed en rozen, Jacqueline Bel’s onlangs verschenen turf over de Nederlandse literatuur van de eerste helft van de twintigste eeuw, Boerenpsalm uitgebreid wordt besproken. Het was bij verschijnen in 1935 meteen een groot succes; Timmermans had de folklore en de ‘leut’ achter zich gelaten, aldus de kritiek; Ter Braak was er over te spreken; het is een blijvertje in de Vlaamse literatuur (de twintigste druk is van 2010). Het is vertaald in vele talen; in 1989 is het verfilmd; u vindt het integraal op www.dbnl.org.

Lezer, laten we er niet omheen draaien. U, ik, wij allemaal zijn net als Wortel halve wilden. Of we zijn heroïek zullen evenaren valt te bezien, en ook of we ons leven ooit als voltooid mogen beschouwen en niet slechts als ‘voorbij, voorbij, oh, en voorgoed voorbij’.

Recent

20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit
16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken