23 april 2017

Ziekenhuisromans

Door Marijn Sikken

De afgelopen vier weken breng ik meer tijd in ziekenhuizen door dan in de afgelopen drie jaar bij elkaar. Omdat ik geen rust meer vind in vrouwenbladen draag ik iedere keer weer een teveel aan romans mee. Ik heb weinig ziekenhuisromans gelezen. Daarmee bedoel ik boeken die zich grotendeels afspelen in ziekenhuizen, die verder gaan dan observaties als ‘het ruikt naar ontsmettingsmiddel/de dood/oude mensen’, hoe langer ik erover nadenk des te minder titels ik kan bedenken.

Wat ik fijn vind aan verhalen is dat ze me onderdompelen in een wereld die ik niet ken. Zo biedt De Uitweer van Amy Liptrot het leven en de natuur van de Schotse eilanden, ik wissel het lezen af met zoeken naar afbeeldingen van de vele vogels die in het boek voorkomen. Maar ziekenhuizen ken ik – ik ken de taal en ben er het soort patiënt dat vermoeiende dwingelanderigheid probeert (…) af te wisselen met een afwachtende houding. Als er een plek is waar ik me op mijn gemak voel – puur omdat ik er de weg weet –  dan is dat in een ziekenhuis.
Afgesloten sociotopen zijn vruchtbare literaire grond: als de arena begrensd is, staat alles op scherp; de rollen zijn verdeeld en het drama is – zeker in het geval van ziekenhuizen, waar niemand voor zijn lol komt – steevast urgent. Eilanden zijn ook afgesloten sociotopen, zelfs als je er naar believen weg kunt. Wat is het drama in De Uitweer – onveilige jeugd, vroeg alcoholisme, gezeur? Laten we het angst noemen.

Aan het begin van mijn tienertijd las ik twee jeugdboeken die ook, maar niet alleen, over ziekte gingen. Het een verhaalt over een meisje dat vanaf haar middel verlamd is. Franny, of Fanny, heeft niet lang meer te leven. Haar karakter – het veeleisende en het koppige, maar ook het krachtige – bleef me bij omdat ik het later in mijzelf en zoveel andere patiënten terugvond. Het boek is oud en praktisch onvindbaar: zelfs op de site van uitgeverij Lemniscaat hebben ze geen idee meer weer schrijver Susan Sallis is. Zolang het nog kan, de vertaalde titel van het veel mooiere Only love, blijkt zich grotendeels in een verpleeghuis/verzorgingstehuis af te spelen.
Verhalen over verzorgingstehuizen zijn er genoeg sinds men massaal over aftakelende moeders ging schrijven – het is echt iets anders. Ondertussen moet ik nog honderd bladzijden herstellende Amy Liptrot. Naast Franny valt dat drama een beetje tegen.

Het andere tienerboek laat zich al even moeilijk vangen. Ik herinner me een meisje dat wordt geopereerd aan haar hart, de voorbereidingen pijnlijk en vervelend, ze ligt op een afdeling met andere kinderen – ’s nachts omzeilen ze de verpleging en gaan op avontuur. Haar ervaringen leken op de mijne, niet qua ziektebeeld maar wel het gedeelte waarin zieke kinderen ook kinderen blijven. Na tweeënhalf uur wachten – op schoot de tas met lenzenvloeistof, schone sokken, De Uitweer – blijkt mijn operatie niet door te gaan. Net voor ik naar buiten loop, kom ik op de titel van dat andere boek: Het blijft geen pijn doen.

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer