Ze kweekten lammetjes

Ik verlang soms hevig naar iemand die zegt dat het allemaal wel meevalt. Dat schuldgevoel net zo nutteloos en overbodig is als ‘sorry buiten dienst’ op een streekvervoerbus zetten die zijn dienst erop heeft zitten. Iemand die me uitlegt hoe goed het is de dingen net even anders te bekijken dan ik gewoon ben. Iemand die me uit mijn  gewoontevorm lostrekt (nee, niet weken maar trekken) om tot een alles omvattender vorm van begrip te komen. Niet het vage van: ‘Jaja, ah oké, dus zo…’ dat me makkelijk afgaat, maar meer het begrijpen dat me sprakeloos maakt en waardoor ik terstond een lang weekend moet onderduiken om al mijn aannames te herzien.

Toen ik deze week, na maanden geroepen te hebben dat ik nu echt de strijk ging doen, daadwerkelijk de strijkplank uitklapte, zette ik daar een podcast bij aan.  Nooit meer slapen met de Surinaamse schrijfster Cynthia Mc Leod (1936). Terwijl ik boorden, mouwen en plooirokjes gladstreek zei ze dingen als: Dat Suriname, Suriname niet geworden was als er geen slavernij was geweest. Ze zei, dat je je achtergrond moet kennen om je toekomst te kunnen bepalen. ‘Alleen dan kan je verder.’ Ze zei ook – op hoge toon alsof ze het voor de zoveelste keer moest uitleggen – tegen Pieter van der Wielen, nadat hij gezegd had dat er Nederlanders zijn die zich schuldig voelen over de slavernijperiode: ‘Geen enkele Nederlander hoeft zich schuldig te voelen. Jij hebt het niet gedaan. Jij was er niet bij. Wij doen vandaag ook dingen die mensen over 200 jaar verschrikkelijk zullen vinden.’ Het klonk zo waarachtig dat ik haar meteen geloofde.

Ze deed er nog een schepje bovenop: ‘Denkt u meneer! Meneer wat denkt u, dat over tweehonderd jaar mensen nog vlees eten?’ Waarop ze direct haar eigen vraag beantwoordde: ‘Nee hoor, niemand eet vlees over 200 jaar. Dan zijn kippen en lammetjes lieve vriendjes, als huisdier. Gaan ze over ons zeggen: Weet je (op een toon alsof ze een sprookje vertelt) wat die mensen toen deden. Ze kweekten die lieve lammetjes en hadden slachthuizen en dan kon je bij de slager dat vlees zien hangen en dan wees je aan wat je wilde hebben en dan kocht je het en thuis at je het op.’

Het klonk als een voorspelling gedaan door iemand die de geschiedenis kent en daardoor weet hoe de toekomst eruit zal gaan zien. En ik geloofde haar, voelde opluchting en was stiekem blij omdat ik geen vlees at. Dat ik niet zo iemand was die bij de slager een stuk vlees haalde om op te eten. En toen wist ik dat er ten tijde van de slavernij ook Hollanders moeten zijn geweest die het niet eens waren met de slavernij, die zich er ongemakkelijk bij voelden. Zoals ik me ongemakkelijk voel bij die hele vleesindustrie maar tegelijkertijd niet in staat ben daar een einde aan te maken. Dat daar tijd voor nodig is. En dat we daarbij de boeken van zo’n wijze vrouw als Cynthia Mc Leod nodig hebben.