12 december 2016

Wreedheid en schoonheid

Door Martin Lok

Drie jaar geleden was ik in Napels op vakantie om te genieten en me op te laden aan de genoegens van het leven. En om een beeldhouwwerk te zien dat ik alleen uit de boeken kende: de Farnese Stier. Een verblindend loodwitte berg van marmer uit de klassieke oudheid. Gehakt uit een enorm blok van ruim negen kubieke meter, dat toen de beeldhouwer eraan begon zo’n slordige 80 ton moet hebben gewogen. Wat in de oudheid – zonder heftrucks en kranen – een verzoeking moet zijn geweest. Maar verzoeking of niet, het resultaat is verbluffend. Een pastoraal tafereel, met een imposant steigerende stier die in bedwang wordt gehouden door de tweeling Amphion en Zethus, terwijl hun moeder Antiope de verrichtingen van haar zonen rustig gadeslaat. Maar hoe langer je kijkt hoe meer de wreedheid van het beeld zich openbaart. Onder de opgeheven voorpoten van de stier ligt Dirce, de tante van Antiope, die haar ooit gruwelijk behandelde en daarvoor nu de rekening krijgt gepresenteerd: haar achterneven binden haar aan haar haren vast aan de horens van de stier en bezegelen zo Dirce’s lot. Maar hoe wreed dit lot ook is, de verbeelding ervan is een streling voor het oog.

Dat de grens tussen wreedheid en schoonheid vaak flinterdun is bewijst ook Elena Ferrante’s Napolitaanse romancyclus. Het eerste deel daarvan (De geniale vriendin) las ik toen ik in 2013 in Napels was. Inmiddels heb ik me opnieuw op het Napels van de hoofdpersonen Lina en Lenù (of Elena) gestort en ben vrijwel door de gehele romancyclus heen. Wat net zo’n plezierige onderdompeling is als het bekijken van de Farnese Stier uit de klassieke oudheid. Met net zo’n voortdurend heen en weer springen tussen bewondering en afgrijzen. Want in de volkswijk waar Lila en Lenù opgroeien, wisselt grauwheid voortdurend met de schittering van hoop. De hoop bijvoorbeeld van Lenù, dat ze als Elena Greco een leven buiten de wijk van haar geboorte kan opbouwen; een leven zonder dialect en criminaliteit. Een hoop die echter steeds weer ijdel lijkt.

Alhoewel grenzen voortdurend vervagen verdwijnen ze nooit. Geld lijkt geld, maar het verschil tussen goed en slecht geld, tussen dat van de maffiose familie Solara en Elena’s sjieke schoonfamilie Airota, is onoverbrugbaar. En het lot van beide families lijkt net zo bezegeld als dat van Dirce in de Farnese Stier. Waardoor Elena Greco’s pogingen om zich te ontworstelen aan haar wortels waarschijnlijk net zo vruchteloos blijven als Dirce poging om aan de stier te ontkomen. Althans daar lijkt het op nu ik aan het afsluitende deel van de romancyclus ga beginnen. Maar dat geeft niet, want hoe gruwelijk het verhaal ook is, echte schoonheid drijft altijd boven. Of, zoals Elena het zegt: ‘De warrige wolken kwamen buitelend in diepgrijze massa’s op ons af. Maar verderop, tussen zee en wolken, trof een lange streep licht de paarse schim van de Vesuvius, een wond waaruit verblindend loodwit droop.’ Een verblindend loodwit waar ik me graag nog even aan overlever.

Farnese Stier.

 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

28 mei 2007

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

Wie had ooit gedacht dat deze aanlokkende openingsalinea door ons eigen Peter Brusse werd opgeschreven? Brusse, bij het grote publiek voornamelijk bekend als voormalig buitenlands correspondent voor de Volkskrant en het NOS Journaal in Londen maakt met het vlindernet zijn debuut als romanschrijver.

Lees meer