16 december 2014

Wim Brands en Kees ’t Hart in een wederzijds-interview

Door Ingrid van der Graaf

Hoe persoonlijk moet de schrijver zijn om lezers te verleiden

Literair Nederland was erbij

Een ontmoeting tussen Wim Brands en Kees ’t Hart in de literaire salon van Hans Spits nodigt u uit, in het Letterkundig Museum in Den Haag. De één publiceerde onlangs de dichtbundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee en de ander de satirische roman Theatro Olympico. Twee schrijvers  met elkaar in gesprek over hun schrijfproces. Voor de pauze interviewde Wim Brands, Kees ’t Hart over zijn laatste roman.

Er was al veel gezegd over de opzet van ’t Harts roman Theatro Olympico en Brands vraagt zich af hoe het komt dat het geen ‘onzin’ roman is geworden. Dat ’t Hart daar erg zijn best voor moet hebben gedaan. ’t Hart geeft wat ontwijkende antwoorden en Brands wil weten wat hem ergert. ‘Nou’, zegt ’t Hart, ‘dat is die in zich zelf gekeerde draai die ik maak.’
‘De personages in je romans nemen zichzelf niet serieus’, gaat Brands door. ’t Hart bevestigt dat hij met omtrekkende bewegingen schrijft om te vermijden dat je over jezelf gaat schrijven. ‘Nooit over jezelf schrijven’. roept hij stellig. Brands: ‘Maar je doet niet anders.’ ‘Jaja, nu ja’, mompelt ’t Hart, die dondersgoed weet dat hij dat wel doet. ‘Wat ben je nu aan het doen?’ besluit Brands. ’t Hart werkt aan een kleine historische novelle, Het beeld van Goethe. En aan een idee voor een boek over een echtpaar dat in nare situaties belandt door alledaagse ergernissen.

Iemand die iets is, wil altijd iets anders worden

Brands op de plek van geïnterviewde toont onwennig, maar geen nood, hij neemt als vanzelfsprekend de leiding in dit interview. Hij stelt voor, omdat hem dit maar het beste lijkt, gelijk de angel eruit te halen (of zoiets) en het eerste gedicht uit zijn bundel te belichten. Zijn bundel, bestaande uit zo’n veertig gedichten lag vorig jaar rond deze tijd klaar toen zijn vrouw te horen kreeg dat ze ernstig ziek was. Zo’n bericht waarbij de wereld kantelt. Zijn gedichten kwamen hem zo nutteloos voor dat hij ze bijna allemaal wegdeed en twintig nieuwe schreef. Hij vertelt over een nacht dat het stormde en hij niet slapen kon. En daar kwam ‘de troost van de onverschilligheid’. Een zin die zich in zijn hoofd vormde terwijl hij daar, in de nacht, stond. Hij leest voor: In de eerste nacht nadat ik had / gehoord dat je ziek was / schrok ik wakker // Het waaide buiten. Het waait, zei / jij, die nog geen oog dicht had / gedaan, en je glimlachte. // Ik begreep het pas later. // Wat er ook is, het zal de natuur een / zorg zijn. // Het waait, het waaide – buiten klonk / de troost van de onverschilligheid.

Brands wilde vroeger bioloog worden. Op zijn zestiende schreef hij zijn eerste gedicht en vroeg aan een vriend, die eigenlijk de dichter was, wat hij ermee kon doen. De dichter sprak: ‘Je stuurt het op naar een literair tijdschrift en dan krijg je het terug.’ Hij stuurde het gedicht op en het werd geplaatst. En zo werd hij dichter in plaats van bioloog. Maar ’t Hart herkent in zijn gedichten de bioloog, de ‘sporenzoeker’ in een poging iets te snappen. Hoe gaat het schrijven van een gedicht in zijn werk? Een gedicht begint met een gedachte die mogelijkheden openhoudt. Brands wilde een liefdesgedicht schrijven en vroeg zich af: hoe begint een liefde? Daarbij herinnerde hij zich een uitspraak van Wubbo Ockels. Gedaan nadat hij een rekening van 3000 euro voor zijn iPhone gebruik ontving en zijn kinderen hem hadden uitgelegd wat hij had fout gedaan, ‘Achteraf is alles altijd eenvoudig.’

Het hoofd van de dichter als een vat vol uitspraken en een web van gedachten waarin ook de uitspraak ‘’s middags zwem ik in de Noordzee’, is blijven hangen. Deze opmerking is ontstaan in de tijd dat Brands met zijn, toen nog jonge gezin, hele seizoenen in Bakkum aan zee verbleef. Iemand kwam hem berichten dat de VPRO hem wilde bellen en hij sprak: ‘Dat is goed, maar ’s middags zwem ik in de Noordzee’. En dan ontstaat jaren later dit liefdesgedicht voor zijn vrouw: Mijn liefde voor haar begon als een geloof. / Ze was er op een dag, daarna volgden / bedremmeld de redenen: // haar licht loensende ogen, hoe ze sprak / ‘Nee, ’s middags zwem ik in de Noordzee’. // Hoe in dat water haar armen nauwelijks / bewogen. Eenvoudig. Achteraf is alles / altijd eenvoudig.

’t Hart merkt op dat hij geen poëtische taalmunter is, geen grote bewoordingen gebruikt, geen metrum en geen rijm. Dan zegt Brands: ‘Als mislukt bioloog ben ik misschien ook wel mislukt als kunstenaar.’ Maar dat weet hij beter.

 

 

Recent

25 juli 2017

Een Limburgse Rémi

21 juli 2017

Vast in het ijs

19 juli 2017

Kijk, lees en geniet!

17 juli 2017

Terug naar vroeger

Literair Nederland - 10 jaar geleden

30 juli 2007

De twaalfjarige Alice Winston woont met haar ouders in een afgelegen huis in Desert Valley. Haar moeder is na de geboorte van Alice in bed gekorpen en komt er zelden meer uit. Haar vader probeert met veel pijn en moeite een paardenfokkerij draaiende te houden. Zus Nona, de lieveling van haar vader, is er een half jaar geleden vandoor gegaan met een rodeorijder.

Alice is een stil en teruggetrokken meisje, erg eenzaam ook, ze heeft geen vriendinnen. Ze mist haar zus verschrikkelijk.

"Ik wilde Valerie vertellen dat mijn zus ons niet belde, dat ze haast nooit schreef, dat ik me 's nachts in de stille donkere uren probeerde voor te stellen wat er in haar leven gebeurde, wat er zo opwindend en belangrijk was dat ze ons helemaal vergat en ons door het leven liet zwalken zonder haar."

Lees meer