18 april 2017

Wegvaren

Door Martin Lok

Rome is een stad waar ik geen genoeg van krijg. Eeuwig als zij is, is een verblijf daar goddelijk. Elke dag dat ik niet daar ben, voelt diep in mij een beetje als een zeurderig ongemak. Nu, in de toekomst, en in het verleden. Vooral die ene dag, gelegen in het verleden toen de beeldhouwkunst opnieuw werd uitgevonden.

Op 14 januari 1506 werd in een wijngaard bij Rome een oude beeldengroep ontdekt. Paus Julius II stuurde zijn belangrijkste kunstexpert Giuliano da Sangallo er onmiddelijk heen en deze herkende in de groep: Laocoön met zijn twee zonen, beschreven en bejubeld door Plinius de Oude. De Trojaanse priester is met zijn zonen in doodstrijd gewikkeld met twee slangen, die uit zee gekomen waren om te voorkomen dat Laocoön het Paard van Troje tegen zou houden. De priester verloor, en een dag later Troje ook. Maar de wereld kreeg er de Laocoön-groep voor terug, een klassiek Grieks meesterwerk van in marmer gestolde beweging en beklemming.

Volgens Michaïl Sjisjkin leveren schrijvers eenzelfde strijd. Want, zo schrijft hij In een op de wand gekrast bootje, één van de verhalen uit De kalligrafieles, ‘De schrijver wordt als Laocoön, zelfs als hij nog niets heeft geschreven, in een wurggreep gehouden door de taalslang’. Volgens Sjisjkin een onmogelijke wurggreep, omdat taal ‘een vat vol onbegrip’ is. ‘Correcte woorden, die de geest hebben gegeven, kunnen van alles en nog wat betekenen, alleen niet datgene wat je bedoelt te zeggen.’ Iets dat nog eens verergerd wordt doordat een taal alleen bestaat door lezers van de moedertaal waarin deze is opgetekend. Want ‘je kunt woorden vertalen maar niet de lezer’. Hij ontdekte dit toen hij Russisch Zwitserland in het Duits liet vertalen en erachter kwam dat dit boek pas door zijn Russische lezers bestond.

Omdat de Russische taal Sjisjkin te veel deed denken aan het totalitaire regime, ontvluchtte hij Rusland om in eenzaamheid de Russische literaire taal – waar hij wel van hield – opnieuw te kunnen creëren. Literaire taal als een ark, ‘een eilandje van woorden, waar de menselijke waardigheid bewaard moet worden’. Een ark die Sjisjkin vulde met de mooiste verhalen en zinnen. Waarvan ik net zo geniet als Rome en de Laocoön-groep. Het laat me voor even de alledaagsheid ontvluchten. Een vluchtweg die, zo lees ik bij Sjisjkin – de schrijver bewust of onbewust creëert – want: ‘Iemand die schrijft is een schakel tussen twee werelden: tussen de irreële wereld van het leven – waar alles vloeiend, vluchtig en dodelijk is en waar alles spoorloos verdwijnt als een zojuist weggetikte seconde of als duizend weggetikte generaties – en de wereld van de geloofwaardige woorden’.
Een wereld als een bootje waarmee je weg kunt, ‘weg te varen uit dit solitaire leven naar een plek waar we allemaal liefdevol worden verwelkomd’. Een virtuositeit waar ik geen genoeg van krijg.

 

 

Recent

18 april 2017

De natuur zijn

Literair Nederland - 10 jaar geleden

30 april 2007

Nederland gaat al jaren gebukt onder een stroom van literatuur over inktzwart geloof. Destijds waren het schrijvers als Maarten ’t Hart en Maarten Biesheuvel, die afrekenden met hun gereformeerde verleden. Van meer recente datum is het succes van Jan Siebelink. Peter Delpeut (1956) is cineast en schrijver, hij observeert als geen ander. Nu heeft hij een historische roman geschreven, die zich afspeelt aan het einde van de 19e eeuw in een moerasdelta ergens in het oosten van Nederland. Het geloof heeft in deze streek een greep op de samenleving en aanvankelijk deint Pastoor Peters braaf mee op de rimpelloze waterstroom van deze benauwde gemeenschap. Wie denkt dat Delpeut zich schaart onder de reli-krakers komt echter bedrogen uit. Hij schrijft vele malen mooier dan de dulle Siebelink. De prachtige natuurbeschrijvingen of andere observaties van Delpeut weerspiegelingen op virtuoze manier de zieleroerselen van de hoofdpersoon. Dat is een stijlfiguur, die vakmanschap vereist en Delpeut beheerst zijn metier, terwijl we hier nota bene met een romandebuut te maken hebben. (..)’Hij keek rond in zijn kerk. Door de gebrandschilderde ramen glipte nog juist het laatste licht van de dag binnen. Van buiten leek de kerk een lomp gebouw. De huizen van het dorp waren er eenvoudig te dicht bovenop gebouwd. De verhoudingen waren zoek.’(..)

Nederland gaat al jaren gebukt onder een stroom van literatuur over inktzwart geloof. Destijds waren het schrijvers als Maarten ’t Hart en Maarten Biesheuvel, die afrekenden met hun gereformeerde verleden. Van meer recente datum is het succes van Jan Siebelink. Peter Delpeut (1956) is cineast en schrijver, hij observeert als geen ander. Nu heeft hij een historische roman geschreven, die zich afspeelt aan het einde van de 19e eeuw in een moerasdelta ergens in het oosten van Nederland.

Lees meer