29 november 2012

Verslag masterclass K. Schippers bij Passa Porta in Brussel

Gedichten die niet poëtisch willen zijn

Passa Porta is een Brusselse boekhandel en cultureel centrum dat er writers in residence op nahoudt. En zo kwam het dat K. Schippers nu al 2 maanden verblijft op Brusselse grond, om te schrijven en om ‘aan de slag te gaan’ met studenten van de universiteit. Ter afsluiting gaf hij een openbare masterclass in Passa Porta. Schippers gedroeg zich absoluut niet als een operadiva die een masterclass misbruikt om het ego van de discipelen te verpletteren. Hij was wel dwars, bruusk en knorrig, maar vooral geestig, vitaal en verrassend.

Schippers las en parafraseerde gedichten en prozafragmenten. De gespreksleider stelde vragen en moedigde het publiek aan om ook zijn bijdrage te leveren. Dat publiek (veel studenten) zoekt naar betekenis, diepgang en poëzie, naar de grens tussen poëtisch en banaal, naar het verband met conceptuele beeldende kunst. Maar daar wil Schippers eigenlijk niet van weten. Nee, geen poëzie, wat is dat, poëtisch? Misschien zelfs geen gedicht. Noem het teksten. Het gaat vaak over de werkelijkheid, en het kijken daarnaar. Vooral die stukjes realiteit die zo vanzelfsprekend zijn geworden dat geen mens ze meer ziet zoals ze zijn. Zoals het gedicht met de bevreemdende titel ‘Correctie om wat’ en de materiaalaanduiding ‘Lucht en glas’ (alsof het om een schilderij gaat; ‘ olieverf en mixed media’):

“Een neveltje zien dat er niet is,

komt door een minieme oogafwijking

Maar niet merken dat het weg is,

als je ter correctie een bril draagt.”

Teksten moeten nauwkeurig zijn, analytisch, dat vindt hij prettig, bijna meetkundig exact soms. Neem zijn gedicht van zes woorden (waar één woord teveel in staat). Bezie de onverbiddelijke logica van ‘Trage start bij een rantsoen van twee zinnen’: “ Kan ik zeggen ‘Na deze zin /  komt nog een zin’ of lieg ik dan? // Ik had het kunnen zeggen, / maar hier niet meer.” Of neem ‘Een leeuwerik boven een weiland’, dat lange gedicht over een gedicht, waarin heel zorgvuldig wordt uitgelegd welke rommeligheid buiten het gedicht wordt gehouden – die er daardoor juist in komt:

“En dat wat beoogd wordt of waar

het om gaat is zeker aanwezig

in een sterke concentratie: dit is

het, wat hier staat, nee, niet de

woorden die ontbreken, die zijn er

met opzet niet bij gezet, precies,

de aandacht ligt veilig in de rails.

 

Want in een gedicht horen geen

dode plekken als lange straten of

eindeloze weilanden, die in ’t echt

wel ruimte bieden aan een kapotte melkfles of een leeuwerik,

maar op papier te veel nummers hebben

of te breed, te ver zijn: ze bestaan wel,

maar alleen buiten mogen ze

volop, dubbeldik, mat en saai zijn.

Daar is geen plaats voor in een gedicht.”

 

Al voort declamerend en grasduinend in eigen werk maakt Schippers het zijn ondervragers nog knap lastig: Ik ben niet zo van de interpretatie. Waarom staat er wat er staat? Toeval? Ik geloof daar niet zo in, wil het toeval graag beentje lichten. Soms lees ik diepzinnig commentaren op mijn werk. Alsof iemand een positie betrekt en zegt: “Ik lees het alsof er een betekenis in zit.” Prima, ze doen maar, maar vraag mij niet wat ik daar nu weer van moet vinden.

Hij leest voor uit ‘ Wat je maar kort hoeft te onthouden’. Een opsomming, meer niet.

“[…]

Schoenen die je niet meer draagt

Voorbijgangers op een zebrapad

De stem van een vrouw die verkeerd is verbonden

Wolken

Het gewicht van een tas

Adres van een opgeheven stomerij

[…]”

 

Nee, in zo’n tekst zit geen melancholie, reageert hij op een suggestie van een toeschouwer. Misschien zit die die melancholie in de lezer. “Wie weet, maar wat moet ik daar van vinden?” Nee, domme interpretaties, zo die al bestaan, daar maakt hij zich niet druk om. En nee, zijn teksten zij niet mild. Of we dat zeker niet meer willen zeggen. Na enig aandringen bekent hij: “Gedichten komen voort uit de manier waarop je je verhoudt tot je bestaan. De dingen zien zoals ze zijn, zoals ze echt zijn.” Mensen doen de werkelijkheid (‘de dingen’) tekort, lijkt Schippers te zeggen, doordat ze verblind zijn door verwachtingspatronen, concepten en gevoelens. Zie ‘Loosdrecht’: ‘Als dit Ierland was, zou ik beter kijken.’

“Wat er overblijft? Verhevigde observaties”, meent Schippers. “Maar ook daar neem je uiteindelijk geen genoegen mee. Je probeert tegelijk het gedicht onderuit te halen.” Om de taal onschadelijk te maken, die dicteert wat we kunnen zien. Zie bij voorbeeld ‘Doos in vijf verschillende standen op tafel’:

“Een doos op tafel

Tafel waarop doos

Een doos op de tafel

Doos op tafel

Tafel met doos”

 

“In de taal zitten alle standen van de doos vervat,” zegt hij. “Meer lijkt niet mogelijk. ”

En humor, iets lichtvoetigs, okay. Dat kan de poëzie wel gebruiken. Maar geen metafysica of maatschappijkritiek. Of een gedicht nou een verpakking is van iets, of juist een ding op zich? Die vraag wil hij niet beantwoorden. Maar een doos bijvoorbeeld, dat is toch een verpakking?, dringt een toehoorder aan? “Nee, juist niet. Die doos, die staat op tafel, da’s een ding op zich en daar kun je op verschillende manieren naar kijken.”

Dan vraagt iemand of hij vindt dat hij beter is geworden in zijn métier. Schippers maakt zich kwaad. Hij verzet zich zeer tegen het idee dat er één metier zou zijn, dat maatgevend is voor hoe je te werk moet gaan. “Dat metier moet je steeds opnieuw uitvinden, iedere keer opnieuw. “ Daarmee geeft hij een adequate beschrijving van zijn werk: steeds weer opnieuw. Tussen herhaling en repetitie enerzijds, en steeds weer het wiel uitvinden anderzijds. Van laconieke observatie: “Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is.” Tot betekenisloos taalbouwsel (naar het lijkt): steeds weer worden de zintuigen gescherpt en de hersenen geprikkeld. Zeker als hij het voordraagt, terwijl hij door de winkelruimte beent, blijkt het allemaal nog fris alsof het gisteren is geschreven. Nog geen streep verouderd, en toch al klassiek, moet de conclusie luiden.

Hij draagt het lange gedicht ‘Met van’ voor, dat bestaat uit louter voegwoorden, die toch nog een heel verhaal vertellen:

“achter toe wel uit

Zo toe met van uit zo

Toe met van wat

 

Of op ter nog

Tussen tot om

In te met ook”

 

34 strofen lang. Nee, die tekst gaat niet ergens over, zegt hij. Hij heeft gewoon een tekst gemaakt van korte woordjes, het soort waar hij gek op is. Taal op zijn mooist, ontdaan van alle overbodigs. Het hart van de taal, zelfs, vindt hij. ‘Je ruikt aan betekenis, aan wat het kan zijn. Maar het is het niet  Eigenlijk zou er muziek bij moeten. Theo Loevendie, die zou dat kunnen. Het zou het een madrigaal moeten worden, waarin je de woorden bijna niet meer hoort, enkel de klank.” Hij zingt een stukje voor, hoe het zou klinken: plechtig, gedragen.

Schippers sluit af met een toelichting op zijn laatste boek Op de foto: een vrouw gaat op zoek naar de 27e letter van het alfabet, daartoe aangezet door een dode fotograaf – en uiteindelijk blijkt ze zelf die letter te zijn. ‘Taal moet je steeds opnieuw proberen te verleiden, alsof het een vrouw is. Meer heb ik daar niet over te melden,’ bast Schippers, toch nog poëtisch. En met een stevig: ‘Zo, ik heb gezegd’, wordt de masterclass ontbonden.

Door: Joost van der Vleuten

De boeken van K. Schippers verschijnen bij Querido. Leeuwerik boven een weiland (2009) is een stevige bloemlezing uit zijn poëzie. In 2011 verscheen de bundel Tellen en wegen. Laatste publicaties: De bruid van Marcel Duchamp, (2011) en Op de foto (2012).

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer