17 februari 2016

Verkocht

Door Inge Meijer

 

Ik stelde voor dat ik voor altijd thuis zou blijven. Ik zei: ‘Laat mij maar thuis blijven. Dan zal ik, in ruil daarvoor, de schappen in de voorraadkast en de kastjes boven het aanrecht steeds opnieuw ordenen en schoonmaken en de onderbroeken strijken. Daarna zal ik de aangekoekte pannen met staalwol schrobben, de zwarte aanslag uit de theepotten (vier in totaal) verwijderen en de tuin doe ik er ook wel bij. Al die dingen zal ik steeds opnieuw doen, net zo lang tot er een sereniteit ontstaat die jou bij thuiskomst weldadig omarmt. Die jou, wanneer je met vermoeide ledematen en een leeg hoofd thuiskomt, de rust geven die je nodig hebt. Je weet, ik houd niet van regelmaat en steeds dezelfde dingen moeten doen, maar als ik voor altijd thuis mag blijven: doe ik het gewoon. Ik zet de stoelen omgekeerd, met hun poten omhoog op tafel, pluk tussen duim en wijsvinger pluizen en andere huislijk vloervuil van elke poot afzonderlijk en luister naar programma’s waarin bijvoorbeeld K. Schippers aan het woord is. Die het heeft over voorbijgangers alsof het beroemdheden zijn. Dan ben ik verkocht. Tussendoor gooi ik een digitaal prullenbakje leeg, spoel het vaatdoekje uit en neem voor de derde maal de kastjes nog eens uit. Je ziet. Genoeg te doen.

Een zwak voor iemand hebben is het mooiste wat je kan overkomen. Zaterdagochtend zat ik in bed met een kop koffie en Sir Edmund toen het gebeurde. Op pagina 16/17 werd ik getroffen door een jonge vrouw, die me met een niets verwachtende, wat waterige blik vanuit een blauw/witte achtergrond aankeek en zich, zo bleek uit het interview, op een punt in haar leven had bevonden tussen John Steinbeck en Michael Cunningham. Die tussen die twee schrijvers in, als twee entiteiten van het schrijverschap, haar eigen schrijverschap had uitgevonden. Ze nam me voor zich in omdat ze Van muizen en mensen van Steinbeck hield.

Een paar dagen daarvoor had deze schrijfster, Roos van Rijswijk, op TIRADE.NU geblogd over een irritant geluid in het ventilatiesysteem van haar huis waardoor haar vriend en zijzelf ’s nachts geen oog dicht deden. Ze sliep met siliconen oordopjes in:

’s Ochtends vind ik die dopjes in mijn kruin, ze zijn knalroze en er nog moeilijker uit te krijgen dan kauwgom.

Het was wachten op de ventilatieman die het euvel zou verhelpen. En passant blogt ze verder dat over twee dagen, op 10 februari haar debuutroman Onheilig, gepresenteerd zal worden.

Een gebeurtenis die haast in het niet valt bij de mogelijke verlossing die ventilatieman kan brengen, desalniettemin heb ik ook daar zin in.

Haar formulering van de dingen nam me voor haar in. En hoe ze op die prachtige foto van Jiri Buller, waar de natte winterkou vanaf straalt, haar handen plat op haar donkerblauwe gebreide muts legde, als om de muts op haar hoofd aan te drukken. Om de onschuld van die handen was ik weer verkocht. Vraag me niet wat het is. Vraag me alleen of ik voor altijd thuis zal blijven. Zodat ik Onheilig kan lezen. Tussendoor maak ik nog wel een aanrechtkastje schoon.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer