9 april 2017

Verhalenonrust

Door Marijn Sikken

Er zit geen fictie in mijn tas. Zoals sommige vrouwen altijd lippenstift en een extra panty bij zich hebben (een mate van voorbereid zijn die ik waarschijnlijk nooit zal bereiken), zo heb ik altijd een boek bij me. Dat ik geen roman of verhalenbundel heb meegenomen was een weloverwogen keuze, ik ben maar één nachtje weg en heb geen tijd veel te lezen want ik ben niet alleen, dus stopte ik twee essaybundels in mijn tas: overzichtelijke, niet al te lange stukken voor tussendoor. Heerlijke boeken ook, Genoeg nu over mij van Marja Pruis en Onze lieve vrouwe van de schemering van Willem Jan Otten.

Dan is het er ineens, de verhalenonrust. Ik heb altijd een groot talent gehad om niet in het hier en nu te leven. Ergens zitten met een perfect uitzicht en toch wiebelig worden, het missen van houvast die zijn oorsprong vindt in de behoefte aan verhalen. Op mijn leeslijstje staat Handen van Darian Leader, over hoe moeilijk mensen het vinden om met lege handen te zitten, hoeveel rust het geeft als we letterlijk iets in onze handen hebben. Inderdaad ben ik altijd jaloers geweest op rokers, hoe die altijd wat te doen hebben met die sigaretten. Ter compensatie ben ik – nooit een roker geweest en toch behoeftig – vergroeid met mijn iPhone.

Nu blijkt de meegenomen non-fictie slechts een e-sigaret, komt het niet in de buurt van wat ik nodig heb. Is dit wat verslaafden ervaren? En als verslaving altijd vluchten is – waarvoor ren ik dan weg als ik lees – waar ben ik naar op zoek? Misschien heeft het te maken met wat ik wel bij me heb. Zowel Marja Pruis als Willem Jan Otten bezit de gave van de aanstekelijkheid. In een stuk over ijdelheid hoeft Pruis maar een titel van een essay te noemen of ik ben na haar laatste zin zoet met het zoeken naar het betreffende stuk (online, dus op de iPhone – o de ironie!). Willem Jan Otten, die me in zijn Droomportaal al diverse filmtips gaf, is hierin de koning. Keer op keer kan ik zijn stuk ‘Harry is dood’ lezen en denken: had ik niet ook ergens nog zo’n Potterboek liggen?

Opvallend, want Harry Potter wist mij nooit helemaal voor zich te winnen. Misschien is iets soms gewoon te populair en maakt nieuwsgierigheid plaats voor vermoeidheid – ik kom er later wel een keer aan toe, als ik zin heb. Maar zoals Willem Jan Otten over de kracht van schrijver J. K. Rowling praat enzijn eigen leeservaringen op papier weet te verbinden aan zijn geloof en de wereldliteratuur (en aan mij, nukkige lezer) is waanzinnig knap. Ik krijg zin om het weer te proberen. Of: ik krijg zin om verhalen te lezen. Maar ja, niets bij me – en zeker geen Harry Potter. Mijn laptop heb ik wel mee. In hetzelfde stuk heeft Otten het ook over The Matrix. Nooit gezien, die film. Vanavond in het hotel eens kijken of ik hem ergens kan vinden.

 

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer