16 februari 2016

De tolk van Java – Alfred Birney

Van een oude man, de dingen die niet voorbijgaan

Recensie door Rob van Dam

Een man raakt de verschrikkingen van zijn kindertijd niet kwijt. Waarom was zijn vader zo’n gewelddadige sadist? Zo’n onberekenbare, grofgebekte en ongenaakbare paranoialijder? ‘They fuck you up, your mum and dad‘, zo luidt een beroemde regel van Philip Larkin, en dit boek presenteert een bloedstollende, dubbele geschiedenis van dat mechanisme in extreme vorm.

Vader heette Arto of Arend, en de kinderen noemden hem ‘de Arend’; dichterbij dan met deze bijnaam kwamen ze niet. Ze werden uit huis geplaatst toen de buitenwereld de kwetsuren eindelijk niet langer negeerde. De verteller van dit verhaal, Alan, is dan een tiener. De machteloze moeder vind het allang best; voor haar eindigt daarmee het huwelijk waarin zij zit opgesloten.

Redenen te over voor een wraakzuchtige terugblik, zo niet voor daadwerkelijke wraak, en de verteller kampt inderdaad lange tijd met wraakfantasieën. Toch is De tolk van Java opgedragen aan de nagedachtenis van ‘de Kaalkop’ (vader) en ‘het Kamerolifantje’ (moeder). Dat moet veel innerlijke strijd hebben gekost en daarover lezen we in dit boordevolle, boeiende en niet zo heel erg goed geschreven boek.

De geschiedenis
Vader was een ‘Indo’, een Indische Nederlander. Geboren in Soerabaja in 1925 als buitenechtelijk kind van een vader, ook een ‘Indo’, die het maatschappelijk ver geschopt had en zijn kinderen weigerde te erkennen. Nederlands Indië in zijn nadagen.
Door moeder en tante en broers wordt Arto hardvochtig en gewelddadig grootgebracht: de zweep, de rotanstok, pakken ransel en velerlei kleineringen vormen het regime. De jongen moet een vent worden: laten we citroensap in zijn ogen druppelen, daar wordt hij groot en sterk van!

Een marginale en gediscrimineerde figuur (als onecht kind; als ‘Indo’ in de racistische koloniale samenleving; als verschoppeling in het gezin) die aan zijn beproevingen een groot incasseringsvermogen en een meedogenloze vechtlust overhoudt, plus de verbeten drang Nederlander te zijn.
Dat komt hem van pas op school, op het werk, tijdens de Japanse bezetting en na de bevrijding, als eerst de Britten en daarna de Nederlanders de vooroorlogse toestand trachten te herstellen. De chaos van de Bersiap-periode, als de Japanners zijn verdreven maar een nieuw gezag nog niet is gevestigd; de Nationalistische opstand en de daarop volgende ‘politionele acties’ waarmee het Nederlandse leger de koloniale verhoudingen probeert te herstellen – dit zijn jaren waarin Arto zich kan bewijzen als soldaat, ‘tolk’ (hardhandig ondervrager annex beul in dienst van de militaire inlichtingendienst), spion, moordenaar en uitvoerder van eigengereide wraakacties. Alles in naam van Koningin Wilhelmina. His finest hour.

In de jaren ’60 verscheen de zg. ‘excessennota’ over alles wat er aan misdragingen en misdaden had plaatsgevonden tijdens de politionele acties van het Nederlandse leger. En onlangs nog kende een Nederlandse rechter schadevergoedingen toe aan Indonesische vrouwen die toentertijd als meisje waren misbruikt. Het heeft lang geduurd eer men in Nederland schoorvoetend onder ogen begon te zien wat zich in ‘ons Indië’ had afgespeeld. De voortgaande belangstelling voor de periode ’45-’49 geeft dit boek een toegevoegde waarde. Het relaas van de vader maakt het begrip ‘excessen’ op rauwe wijze aanschouwelijk.

Als Arto inziet dat het tij keert en dat de nationalisten aan het langste eind zullen trekken, besluit hij met de Nederlandse soldaten mee te ‘repatriëren’ – naar een vaderland dus waar hij nog nooit is geweest. Hij heeft dan al een correspondentievriendin in Helmond en die gaat hij maar eens opzoeken. Ze trouwen. Er komen kinderen. De Arend toont zijn klauwen. Zelfs in Nederland voelt hij zich niet veilig voor eventuele wraakacties vanuit Indonesië. Stond hij daar niet op een dodenlijst van te executeren vijanden, nota bene ondertekend door niemand minder dan Soekarno? Hij slaapt met een dolk onder zijn hoofdkussen, de dolk die hem in zijn geboorteland zo vaak goede diensten heeft bewezen.

De roman
In deze roman beslaan jeugd en militaire verrichtingen van Arto enkele honderden bladzijden. Daarin leren we een geestesgesteldheid kennen (plus een historische periode) waarin geweld, onverbiddelijk en zonder aanzien des persoons, normaal en noodzakelijk wordt geacht. Verschuilt een vrijheidsstrijder zich achter een moeder met haar baby? Schiet dan dwars door moeder en kind heen, dan ontkomt de pelopor niet. Arto is in zijn element en zijn superieuren geven blijk van hun waardering. Eindelijk! Maar zijn kwaliteiten als militair zullen later, als hij vader en echtgenoot is en in Nederland woont, zijn grote gebreken zijn.

De vele bladzijden met jeugdherinneringen en oorlogservaringen heeft Arto zelf geschreven. Het is een apologie in de saaie stijl van een schoolopstel, met veel te veel details, onbenulligheden en herhalingen. De stof, hoe weerzinwekkend ook soms, is weliswaar boeiend, maar de behandeling maakt dat de aandacht verslapt. Hier had Birney rigoureus moeten schrappen. Geen wonder dat eerdere pogingen het manuscript van vader afzonderlijk te publiceren op niets zijn uitgelopen.

De memoires van de vader liggen ingebed tussen drie delen genaamd ‘Spekkoek’ (de eerste portie van die lekkernij bevat overigens ook al een stukje van de memoires; dat maakt compositorisch een vreemde indruk). Waarom ‘Spekkoek’? In deze delen is voornamelijk de oudste zoon aan het woord, en verder ook diens moeder en broers. Gaat het om de afwisseling van licht en donker?

Hoe dan ook, in deze gedeelten komen de wittebroodsweken van vader en moeder ter sprake, de jeugd in herrijzend Nederland, de tijd in het kindertehuis, de voorzichtige toenadering tussen zoon en vader daarna, vrouwengeschiedenissen van vader, de gitaarmuziek die voor ‘Indo’s’ zo’n belangrijke rol speelde en het opgroeien met al die vragen, al die woede, al die wrok. En met de beschadigingen, en de moeite die het kost daar mee te leren leven. ‘Ik ben niet moordzuchtig, Pa, maar je hebt het wel verdiend om alsnog door mij eigenhandig het ziekenhuis in te worden geschopt. Een kwarteeuw lang zuchten onder jouw rigide tucht en paranoia en vervolgens een kwarteeuw lang daarover aan een onvoltooid boek werken, lijkt een aardige balans, maar ik had liever een halve eeuw compleet geleefd en een jaartje in de gevangenis gezeten wegens ernstige mishandeling van een oud-marinier’.
Interessant is verder ook het tijdsbeeld dat wordt geschetst: Nederland in de jaren vijftig en het contrast tussen de Hollandse en ‘Indische’ levensvormen destijds.
En dan steekt, bijna bij wijze van naschrift, ook nog de vraag op naar het waarheidsgehalte van vaders geschriften. Hoeveel sambal zit erbij? Vaders rol in een fataal verlopen gevangenentransport wordt onderzocht. Hier begint de spekkoek flauw te smaken doordat reeds eerder behandelde stof opnieuw wordt uiteengezet.

Hartverscheurende gebeurtenis in de jongensjaren en een dolk in het hart van de zoon is het moment dat hij weer aanklopt bij vader. De Arend opent de voordeur en spreekt de absurde en veelzeggende woorden: ‘Jongen, waarom heb je mij verlaten?’ ‘Ik heb die vraag zo serieus genomen dat ik haar jarenlang als een terechte aanklacht heb opgevat’. They fuck you up, inderdaad.
Allengs leert Alan zijn vader beter kennen. Hij herkent het stempel dat vader in hem heeft gedrukt en beseft godbetert zelfs iets van verwantschap. ‘Je moet er toch niet aan dénken dat we allemaal zo neurotisch, getroebleerd of getraumatiseerd zijn als hij en ik? Hij en ik. Ha! Wij beiden in één zin! Het is even wennen, meneer de ex-marinier! Het is nog net geen ‘wij’!’

Na zijn pensionnering verhuist vader naar Spanje, waar het klimaat hem doet denken aan dat in Soerabaja. Daar sterft hij in 2005. Zijn as zal ooit door de verteller worden uitgestrooid in Indonesië. ‘Als ik de as van mijn vader over dat water ga uitstrooien, dan zal ik even oud zijn als hij toen hij zijn memoires af had. Lang heb ik als een gek zijn waanzin bevochten. Nu ben ik een vermoeide brug die zich over een verleden buigt zonder zijn eigen spiegelbeeld in het water te zien. Ik vecht niet langer, ik hou ermee op’.
Met andere woorden, geen verzoening, geen vergeving (hoewel: zie het In Memoriam voorin het boek), geen alles-vergoeilijkend ‘begrip’. Gelukkig maar, want de zoon ziet terug op een leven vol barrières, vol blokken aan het been, een tamelijk eenzaam leven.

An only life can take so long to climb clear of its wrong beginnings, and may never‘, zo luidt een andere verzuchting van Philip Larkin. Het lijkt erop dat de vertellende ‘ik’ van dit boek een leven lang met die klim bezig is geweest en uiteindelijk het moede hoofd in de schoot heeft gelegd. Maar… dit boek lígt er.

Hartebloed
Wat heeft Alfred Birney, van wie schrijver dezes tot zijn schande nog nooit had gehoord (hij heeft uitvoerig gepubliceerd, vooral bij uitgeverij In de Knipscheer), een rijk en indringend verhaal gepubliceerd! Wat een fascinerende stof! Geen inkt maar hartebloed. Vergelijk dat eens met de vaak zo magere inhoud van menige Nederlandse roman.
Maar is de overdaad hem niet te veel geworden? Een strengere selectie van de stof – desnoods op meer bladzijden! – zou het boek ten goede zijn gekomen. Had de muziek niet weggelaten kunnen worden? Zo veel doet de auteur daar niet mee. En de internaatervaringen heeft hij toch al in eerdere romans gebruikt? En die mails tegen het einde en die webcamchat: noodzakelijk?
De verklaring van de oeverloosheid ligt mogelijk in het feit dat dit boek weliswaar de vorm van een – los gecomponeerde – roman heeft gekregen, maar au fond (auto)biografie is. Daar wijdt de verteller ook zelf een paar opmerkingen aan. Waarom deze geschiedenis eigenlijk niet als pure biografie gebracht?

We hebben hier te maken met een monument voor ten minste twee levens: dat van de vader en dat van de zoon. Couperus zou er tweeduizend bladzijden in hebben gestoken, Alberts tweehonderd, Birney gebruikt er vierhonderdzestig. Enerzijds te veel, anderzijds te weinig, want juist de zoon in zijn volwassen leven had meer aandacht verdiend.
Je moet een sterke maag voor dit boek hebben en af en toe bekruipt je ongeduld vanwege de wijdlopigheid, maar Birney’s roman is een heel bijzonder en indrukwekkend boek.

 

 

De tolk van Java
Alfred Birney
Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
ISBN: 9789044536447
471 pagina's

1 reactie

  • Tattie zegt:

    Prachtige beschrijving van een vader/zoon relatie. Conflicten eindeloos….Gelukkig dat we ook nog mogen proeven van het indrukwekkende, om nooit te vergeten ‘Indie’.
    De recensie is zó indrukwekkend, dat ik dit boek moet lezen. En ja…..ik proef een vleugje Louis Couperus.
    Hartelijk dank!

1 Trackback





 

Meer van Rob van Dam:

20 januari 2017

Openhartig over lotsbestemming

Over 'Het visioen aan de binnenbaai' van Oek de Jong
28 november 2016

Laat varen alle hoop

Over 'We houden van Tsjernobyl' van Svetlana Alexijevitsj
25 oktober 2016

Een man, een vogel

Over 'De havik' van T.H. White

Recent

23 januari 2017

Het verlangen elders te zijn

Over 'Stromen die de zee niet vinden' van Rob Verschuren
19 januari 2017

Lawaaidichter en lawaaimakers

Over 'Radeloos en betoverd' van Pat Donnez
18 januari 2017

Streng en gewichtig

Over 'We hadden liefde, we hadden wapens' van Christine Otten
17 januari 2017

Ongrijpbare gedichten

Over 'Bladgrond' van Roland Jooris
16 januari 2017

Sprookjes hebben geen woorden nodig

Over 'Sprookjes van Grimm zonder woorden' van Frank Flöthmann

Verwant

16 februari 2016

Taxi - Karen Duve

16 februari 2016

Gerritsen speelt virtuoos met flashbacks 

Over 'Roxy' van Alfred Birney
16 februari 2016

Leegte en hoogmoed

Over 'Hoogmoed ' van Alfred Birney